Breezerseks voor bejaarden

Debutant A.H.J. Dautzenberg heeft er duidelijk plezier in om verwarring te zaaien, met seks, absurdisme en vreemde plotwendingen.

Enschede / 19-5-2004 bingo de Vluchte ©foto eric brinkhorst
Enschede / 19-5-2004 bingo de Vluchte ©foto eric brinkhorst

A.H.J. Dautzenberg: Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. Contact, 295 blz. € 19,95

Een jongetje dat voor de Kerst een doos met twee vechtende negers krijgt, een voetbalfan die in het stadion bezoek krijgt van zijn verre, primitieve voorouders, een verlegen meisje dat een gaatje in de muur pulkt om er vervolgens in weg te kruipen, een vrouw die wakker wordt met een waterkraan die uit haar rug is gegroeid, marteling van majoor Bosshardt: niets is te dol in de korte verhalen van A.H.J. Dautzenberg, gebundeld in Vogels met zwarte poten kun je niet vreten. En het meest bizarre is nog wel: deze debutant weet het allemaal zó op te schrijven dat zelfs de krankzinnigste wendingen in zijn verhalen je overtuigen.

Zo vertelt Dautzenberg het verhaal van het wonderlijke kerstcadeau van de twee vechtende negers vanuit het perspectief van het jongetje dat jaarlijks van zijn ouders alleen maar teleurstellende cadeaus krijgt: een wollen trui, boekensteunen en een springveer. Maar dit jaar wordt er onverwacht aan de deur gebeld. Er staat een witte doos voor het huis met zijn naam erop. Zijn ouders zijn net zo verbaasd als hij. ‘Ramon tilt het deksel op. Alle drie kijken ze in de doos… Twee vechtende negers? Ja, twee vechtende negers! Ze dragen alleen een zwembroek. Hun lijven zijn ingesmeerd met olie of iets dergelijks. Ze glimmen als kerstballen. […] ‘Vast en zeker een cadeau van ome Frans’, concludeert zijn vader. Ramon kan het niks schelen van wie het komt, hij wil het in elk geval niet. Hij schuift de doos brutaal van zich af.’

Dautzenberg mengt constant het bizarre met het alledaagse en creëert zo de ruimte om zijn verhalen volledig te laten ontsporen, of juist heel gedoseerd te ontregelen, om daarna door te gaan alsof er niets raars is gebeurd. Mooi voorbeeld van dat laatste is de bejaardenromance ‘Bingo!’, waarin de hoofdpersoon, de nukkige Mevrouw Dennenboom, er ineens – tot haar grote verbazing – tegen haar buurman uitflapt: ‘Als u een breezer voor me bestelt, mag u me straks neuken.’

Schaamte

Onmiddellijk trekt Dautzenberg hierna het verhaal weer in de muffige sfeer van de bejaardenbingo op de woensdagavond. Er bloeit wel degelijk iets moois op tussen Mevrouw Dennenboom en haar buurman, maar dat is vooral het gevolg van beider schaamte en onhandigheid na Mevrouw Dennebooms onverwachte opmerking.

Vaak weet Dautzenberg, hoe absurd hij zijn verhalen soms ook laat eindigen, een gevoel van vertedering bij de lezer op te wekken. Zelfs de twee vechtende negers in de doos, die tussen het worstelen door ook elkaars minnaars blijken te zijn, wekken empathie op als het jongetje in het verhaal besluit om ze met de piek uit de kerstboom te doorboren. ‘Een meegesleurd sliertje engelenhaar kleurt rood. De negers zijn toch niet zo sterk als hij dacht. Traag vallen ze om. Het is alsof hij naar een film kijkt. Zo traag vallen de negers om.’

Niet alle verhalen in Vogels met zwarte poten kun je niet vreten zijn even sterk. Sommige verhalen leunen te veel op hetzelfde trucje, of lijden aan een overdosis absurdisme, zoals ‘Glückauf’. Soms wordt Dautzenbergs zwarte humor te smakeloos om nog leuk of shockerend te zijn, zoals in ‘Een oase van verdriet’. En soms etaleert Dautzenberg zijn eruditie te opzichtig in vermoeiende monologen die niet gered kunnen worden door de ontknoping aan het eind zoals ‘Op excursie’ en ‘Noem het apocalyptisch’. Maar zelfs in de zwakkere verhalen zijn er altijd nog wel een paar virtuoze zinnen te vinden, ook al zijn ze als geheel niet veel meer dan overontwikkeld gebabbel: ‘Voor mij dus alleen de wormstekige, dat hebt U inmiddels wel begrepen. Het geraamte rammelt al het lied van zijn-geweest-opgesodemieterd-het- eind-van-het feest. Ouwels heb ik niet nodig, die verkruimel ik in een fles. Op de bodem nog een restje vuur, voor het pappen en pesten.’

Hoerenloper

Dit soort zinnen verraden dat Dautzenberg ook dichter is, met een taalgevoel dat aan dat van Ilja Leonard Pfeijffer doet denken, net als zijn schaamteloze fantasie en wilde eruditie. Het verschil is dat Dautzenberg beter schrijft, en grappiger is. Vogels met zwarte poten kun je niet vreten steekt met kop en schouders uit boven Pfeijffers korte verhalen die dit jaar in de bundel Harde feiten verschenen. Dautzenberg is ook creatiever in zijn naargeestige plastische beeldspraak, bijvoorbeeld in het verhaal over een hoerenloper met een voorliefde voor terminaal zieke vrouwen: ‘Nog even en ik sta voor het aquarium van Victoria, ooit de held van haar dorp, zij die Darwins hofvijver als snelste vis doorkruiste. Al groeien de schubben tegenwoordig vooral aan de binnenkant van haar lijf’.

Of zoals in het puntgave verhaal ‘Suikerfeest’, dat een seksueel avontuur tussen een man van middelbare leeftijd en een dertienjarig meisje beschrijft, zonder dat de onschuld daarin verloren gaat, hoewel: ‘Mijn vlees is zwak, net als mijn geest. Laat ik maar doen wat zij wil, dan wordt niet duidelijk wat ík wil. Verzachtende omstandigheden. Onhandig stroopt ze mijn broek naar beneden. Toch niet zo ervaren, denk ik, maar we zullen zien.’

Dautzenberg heeft er duidelijk plezier in om verwarring te zaaien, met seks, absurdisme en fantastische beginzinnen als deze: ‘Dat zijn vader zulke mooie billen heeft, is hem nooit eerder opgevallen. Stevig en rond.’ En ook al leidt dat niet in alle gevallen tot sterke resultaten, de afsluiter van Vogels met zwarte poten kun je niet vreten, het prachtige verhaal ‘Blauw’, laat er geen misverstand over bestaan dat met A.H.J. Dautzenberg zich een nieuw talent heeft aangediend, dat debuteert zoals het hoort: met lef, bezetenheid en een beetje zelfoverschatting.