Vogelaar-gelden hielpen toch nauwelijks

Met nieuwe woningen en minder criminaliteit help je bewoners van Vogelaar-wijken niet wezenlijk vooruit. Het gaat om banen en om kansen, vindt Heinz Schiller. Daarom is het niet erg dat de Vogelaar-gelden worden geschrapt.

Tegen bezuinigingen wordt vaak geprotesteerd met het argument dat het ‘nou net wat beter’ gaat. Dat werd bijvoorbeeld gezegd naar aanleiding van het verwachte schrappen van de middelen die in de zogeheten Vogelaarwijken worden gepompt. De vooronderstelling is dat de probleemwijken dankzij de Vogelaar-investeringen in een rap tempo uit het dal klimmen.

Die stelling is onbewezen. Er is sprake van een grote mate van wensdenken. De gehanteerde maatstaf om het succes aan af te meten, is op z’n minst discutabel.

Het belangrijkste criterium om vast te stellen of de grootschalige investeringen in de veertig probleemwijken werken, is of de burgers in deze wijken stappen omhoog zetten op de maatschappelijke ladder. Over die sociale stijging hoor je gek genoeg niemand meer. Wel wordt veelvuldig de loftrompet gestoken over het succesvol terugdringen van criminaliteit en gevoelens van onveiligheid.

Inderdaad is op dit terrein resultaat geboekt, maar met dit succes is de sociaal-economische positie van de meeste bewoners niet veranderd. De indruk is dat met de Vogelaar-gelden van alles is gefinancierd wat anders zou zijn betaald uit het reguliere budget, of gewoon niet. In dat laatste het geval zou er niets aan de hand zijn. De burgers in deze wijken waren er dan, enkelen uitgezonderd, niet beter of slechter van geworden.

Ik ben blij met alle nieuwe stenen die in onze achterstandwijken worden gestapeld, maar werkloos in een nieuw huis is nog steeds werkloos. Laaggeletterd je kind naar school brengen in een prachtige multifunctionele accommodatie, is nog steeds laaggeletterd je kind naar school brengen. Met een lege portemonnee boodschappen doen in dat nieuwe shoppingcenter, maakt je portemonnee niet opeens gevuld. Zonder startkwalificatie door een vakbekwame jongerenwerker van straat worden geveegd, bezorgt je niet als vanzelf een diploma.

Het is onbestaanbaar dat we, zoals in de wijk Kanaleneiland in Utrecht gebeurt, gaan wandelen met inburgeraars, terwijl de helft van de kinderen met een taal- en ontwikkelingsachterstand niet op een voorschool zit. Nu er misschien minder geld voor probleemwijken beschikbaar is, is het goed om na te denken over echt zinvolle investeringen.

Schaarse middelen dwingen tot keuzes. Dat is prettig. Je bent bij voorbaat geëxcuseerd om niet iedereen zijn zin te geven. De voor de hand liggende oplossing is simpel: geef alle kinderen met een taal- en ontwikkelingsachterstand een goede startpositie voor een schoolloopbaan.

Los daarvan: we weten allemaal dat het hebben van een baan de beste garantie is voor een gelukkig leven, niet alleen voor jezelf, maar zeker ook voor je kinderen. Zien werken doet werken. Als we de woningbouwcorporaties en al die andere maatschappelijke ondernemingen, de overheid incluis, verplichten om mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt op te nemen en een volwaardige arbeidsplaats te bieden, doen we meer dan alle Vogelaar-plannen bij elkaar.

Het is eenvoudig. Een voorbeeld: naar verwachting zullen er in de nabije toekomst ruim 300.000 mensen nodig zijn in de zorg. Met een bescheiden quotum van 5 procent inwoners van Vogelaar-wijken betekent dit dat 15.000 mensen in Nederland perspectief wordt geboden op een gewoon leven, op een normaal inkomen, op de mogelijkheid om zich te ontwikkelen, de huur te betalen, hun kinderen te helpen. Kortom, om alles te doen waarover we ons in de wijkaanpak zo verschrikkelijk druk maken.

Heinz Schiller is directeur van DOENJA Dienstverlening, een welzijnsorganisatie die actief is in de wijk Kanaleneiland in Utrecht, en auteur van De Kunst van het Stijgen. Over sociale mobiliteit en welzijnswerk dat er toe doet.