Onwaarschijnlijk hoe hoog een coureur kan vliegen

Voor het sterven ben ik bang, niet voor de dood. De dood is een lomperik, een handelaar in oud ijzer. Daarmee is hij geloofd en geprezen. Ongeveer zo omschreef Bart Chabot bij Pauw & Witteman zijn ontmoetingen met Magere Hein in de tijd dat hij vanwege een hersentumor een rigoureuze bestralingstherapie onderging.

Toen ik een jaar of vijftien geleden in een wak dook en een metertje of vijf onder de ijsvloer schoof, zag ik dat de dood wijs is, maar hij smaakte me niet. Eenmaal terug op de schaats keek ik naar mijn muts (een gebreide blauwe, met Buckler-reclame en een grote gele bol op de punt) die aan de onderkant tegen het ijs zat geplakt. Een verstild plaatje. Maar ik ben niet teruggegaan om haar op te halen.

De man met de zeis verbijstert. Ook al weer twaalf jaar geleden verongelukte de wielrenner Rob Mulders in zijn auto, een oud-collega uit mijn streek. Tijdens de afscheidsdienst fladderde op zeker moment een koolwitje hoog boven onze hoofden. Biologisch gezien was dit onmogelijk. Het was hartje winter, buiten vroor het dat het kraakte. De hele kerk, inclusief mezelf, probeerde uit alle macht in het vlindertje een knipoog van de gewezen flierefluiter te zien.

„And death shall have no dominion”, dichtte de machtige zuipschuit Dylan Thomas. Nou, voorlopig zit dat er niet in.

Voor een massale slachting hoef je niet naar Bagdad. Zondagochtend reed in het Italiaanse Lamezia Terme een automobilist met ingetrokken rijbevoegdheid, een marihuanaliefhebber, frontaal in op een groepje amateurwielrenners: acht doden. Ik kijk naar de foto in mijn ochtendkrant. De lijken zijn bedekt met witte lakens. Hulpverleners in oranje hesjes drentelen met de handen in hun zakken rond. Vreemd genoeg ligt er ook een wit laken half over een berg schroot; het restant van een paar fietsen.

In hoog tempo trekken frontaal geschepte en onder een wit laken geëindigde gezichten van wielrenners voorbij die ooit in hetzelfde peloton koersten als ik. Het zijn er heel wat. Geschept op de training of geschept in de koers. Zwitserland was berucht in mijn tijd. De Zwitsers hadden altijd haast, die lieten zich de openbare weg niet zonder slag of stoot ontnemen door een peloton voortrazende idioten. Het is trouwens onwaarschijnlijk hoe hoog een coureur kan vliegen wanneer die frontaal geraakt wordt.

Ik herinner me hoe ik als dertienjarige wielrenner de afdaling oefende (voor later) op een bochtig weggetje vanaf een stuwwal uit de laatste ijstijd. Auto’s inhalen, natuurlijk. En bij tegenliggers duiken in een gaatje van ongeveer een halve meter.

De dood, even geen tijd voor. Nog niet.

Ik kijk weer naar de foto in de krant. Op het portier van de fluorescerende, en dwars over de weg geparkeerde ambulance staat het vergeefse noodnummer: 0968- 637605.