Riskante vorm van schrijven

Met schrijven over familie en bekenden moet je oppassen, zelfs al doe je het op een verdekte manier. Neem columnisten. Zij schrijven graag over hun kinderen en kleinkinderen en zolang die nog klein zijn is er ook geen probleem. Naderen zij de tienerleeftijd dan wordt het uitkijken. Geen kind wil op het schoolplein worden aangesproken over dat vertederende stukje, waarin de (groot)ouder onbedoeld enkele ontluisterende details over het familieleven heeft prijsgegeven.

Dit geldt a fortiori voor schrijvers die op de eeuwigheid mikken: romanschrijvers. Wie in hun boeken belandt, is bang dat hij tot het einde der tijden wordt lastiggevallen over allerlei ongemakkelijke bijzonderheden. Bij De Slegte weet men dat het met die eeuwigheid reuze meevalt, maar maak dat maar eens de mens duidelijk die achter een romanpersonage schuilgaat of méént schuil te gaan.

Een opmerkelijk voorbeeld is te vinden in de nieuwe roman Pleun van Detlev van Heest. Het boek is de geslaagde voortzetting van het interessante debuut van Van Heest waarover ik eerder schreef: De verzopen katten en de Hollander. Van Heest schrijft autobiografische romans naar het voorbeeld van J.J. Voskuil, met wie hij ook bevriend raakte. In zijn debuut zien we hem ronddarren in Tokio om de levens van allerlei oudere buurtbewoners te observeren en registreren.

In Pleun is hij met zijn vrouw naar Nieuw-Zeeland verhuisd, waar ze bevriend raken met een daar al langer gevestigd Nederlands echtpaar: Annemieke en Pleun. Deze vierhoeksrelatie loopt volledig uit de hand om allerlei spannende redenen die ik hier niet zal verklappen. Voor één reden zal ik een uitzondering maken, omdat die van pas komt in de kraam van dit stukje.

Van Heest maakt er tegenover zijn omgeving geen geheim van dat hij veel ervaringen onverhuld optekent in zijn dagboek. Die aantekeningen stuurt hij ook regelmatig op naar het echtpaar Voskuil in Nederland.

In de roman laat Annemieke aan Detlev blijken dat ze niet van deze situatie gediend is. Ze zegt: „Ik heb je vroeger herhaaldelijk in vertrouwen genomen. Ik heb je dingen verteld, in vertrouwen, over mijn ouders en mij, over mijn zusje, waarvan ik nu hoor dat ze in je dagboek en ook in je brieven terecht zijn gekomen. Jij schrijft die brieven aan een schrijver die over een aantal jaren zijn dagboeken gaat uitgeven.”

Pleun valt haar bij: „Maar als ik hem vraag of hij mij garandeert nooit iets over ons te publiceren, dan doet hij dat niet.”

Het verweer van Detlev is in de roman niet overtuigend. Hij noemt openheid de basis van vriendschap en vindt het dan ook vanzelfsprekend dat hij zijn dagboek aan (drie) zielsverwanten laat lezen: je moet je vrienden vertellen wat je bezighoudt.

De verontwaardiging van dat Nederlandse echtpaar (en ook van zijn eigen vrouw) begrijp ik wél. Openheid mag dan een belangrijk aspect van vriendschap zijn, discretie lijkt mij nog belangrijker, zelfs ronduit essentieel. Als alles wat ik mijn vrienden vertel in hun dagboeken terecht kan komen, die zij vervolgens ijverig naar de andere kant van de wereld sturen, dan zou ik de gesprekken met hen voortaan beperken tot de thema’s klimaat (kan vriezen, kan dooien) en huisdier (de kat is eigenzinniger dan de hond).

Tot Detlev lijken deze bezwaren niet helemaal door te dringen. Of had hij toen al besloten wraak te nemen op Pleun met deze roman?