In de cel is zang, buiten is de sax

Opera Suster Bertken van Rob Zuidam door ASKO|Schönberg o.l.v. Reinbert de Leeuw. Gehoord: 4/12 Concertgebouw, Amsterdam. Herh: 12/12 Vredenburg, Utrecht. Inl: vredenburg.nl ***

Waarom? Die vraag roepen Rob Zuidams opera’s vaak op. Waarom radicaliseert miljonairsdochter Patricia Hearst in Freeze (1994), blijft Johanna de Waanzinnige in blinde adoratie rondsjouwen met een lijk in Rage d’Amours (2003)? En waarom eet Eva van de appel in Adam in ballingschap (2009)?

Zuidam wil die vragen niet eenduidig beantwoorden. In Suster Bertken, zijn nieuwste opera die zaterdag een concertante première beleefde, al helemaal niet. Waarom Berta Jacobs zich in 1456 of 1457 liet insluiten in een cel in de Utrechtse Buurkerk, en vooral waarom ze het geen probleem vond om er tot haar dood nog 57 jaar door te brengen, komen we helemaal niet te weten.

Aan het begin zingt ze: „De wereld hield mij in haar macht, nu ben ik haar ontkomen.” Dat is een variant op het bekende „Ich bin der Welt abhanden gekommen” van Rückert en Mahler, waar de ik-figuur ook meldt dat de wereld haar voor dood mag houden.

Daar blijft het helaas bij wat Zuidams uitleg betreft, en daarmee laat hij veel dramatiek liggen. Wat volgt is één en al mystieke devotie op soms weerbarstige, maar vaak ook oorstrelende muziek. De Belgische sopraan Katrien Baerts is daarbij een fijnzinnige, maar niet altijd even hoorbare Bertken.

De rumoerige buitenwereld is indirect waarneembaar, in grillige blazerssolo’s en de tussenwerpingen op saxofoon van een monnik (de uitstekende bariton en saxofonist Hubert Claessens). Het valt op dat hij dit anachronistische, eerder erotische dan sacrale instrument bespeelt. Suggereert Zuidam dat we iets moeten zoeken achter het feit dat deze monnik de sleutel van Bertkens cel bewaart?

Muzikaal is Zuidam op zijn best als hij Bertkens religieus verhevigde gemoedstoestanden uitdrukt. Dat geldt met name voor de scènes over haar verbeelding van het kerstverhaal, en ook in de dromerige verklanking van een visioen vol hemelse muziek.

Bij Bertkens dood aan het slot klinkt klokgebeier – zo lijkt het althans. Inventief als hij is, laat Zuidam de musici met wijnglazen toasten. Bertken voegt zich bij haar heiland op het moment dat ze over zijn geboorte vertelt. Op die samenloop mag geklonken worden.