Mr. Otte was een rampvoor zijn omgeving

Naar aanleiding van het boek van Rinus Otte over de rechterlijke macht het volgende. Als raadsheer bij het Amsterdamse hof tussen 2001 en 2007 heb ik mr. Otte van nabij meegemaakt. Hij coördineerde de strafrechtssector, geen geringe taak bij een hof met toen een dertiental strafkamers. Ik heb hem leren waarderen als een hardwerkend manager. Zijn grote tekortkoming was dat hij niet in staat bleek een goed contact met ‘de werkvloer’, met kamervoorzitters en raadsheren, te onderhouden. Hij zat altijd achter zijn bureau of in vergadering, voor zover hij niet als alleensprekend rechter zittingen (in eenvoudige zaken) deed. Hij kende zijn collega-raadsheren niet of nauwelijks, zocht ze niet op en leek ook niet in hen geïnteresseerd.

Maatregelen ter bevordering van doelmatigheid wekten weerstand omdat ze soms averechts uitpakten. Zo werd de begintijd van strafzittingen van half tien naar negen uur vervroegd. Het gevolg was dat zo’n eerste ochtendzaak veelal moest worden aangehouden of met vertraging begon, omdat de gedetineerde niet tijdig was aangevoerd dan wel de advocaat niet op tijd was vanwege fileproblemen, dit tot ergernis van de (vaak ook van buiten Amsterdam gekomen) raadsheren. Een andere maatregel was de afschaffing van het abonnement op de goed functionerende bodedienst voor leden van het hof met domicilie buiten de hoofdstad. Dat spaarde enkele tienduizenden euro’s per jaar uit. Het siert Otte dat hij in zijn boek volmondig toegeeft dat dit besluit een misslag was. Maar het kwaad was geschied. De tassen met dossiers dienden voortaan op het te hof worden ingezien. Ook de bestudering van de dossiers in het weekeinde werd daarmee onmogelijk (de werkweek van de rechter bestaat uit zeven dagen). Zo was mr. Otte, bij al zijn goede bedoelingen en ijver, een ramp voor zijn omgeving, hetgeen uiteindelijk tot zijn val bij het Amsterdamse hof heeft geleid.

Cees Fasseur

Den Haag