Kransdiertjes op kreeftsprieten

Alle bekende 47.800 Nederlandse planten- en dierensoorten staan in een boek van stoeptegelformaat. Marion de Boo

Daar staat hij dan in zijn glazen pot met alcohol, de Noorse kreeft. Gevangen in 1936 voor het Zoölogisch Station Den Helder en keurig geconserveerd. Tien krachtige looppoten, waarvan de voorste met vervaarlijke scharen. Zwarte, priemende oogjes in een brede kop met sprieterige aanhangsels die ooit hielpen om voedsel op te sporen. “Hij ziet wat bleek door de alcohol, pas als je ze kookt worden ze rood”, zegt taxonoom Erik van Nieukerken van het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit NCB-Naturalis in Leiden.

Op de wriemelende mondsprieten van zo’n kreeft leeft een hele dierentuin aan kleine organismen die nog maar amper door de wetenschap beschreven zijn, zoals kransdiertjes. Zij hebben zo’n speciale, ingewikkelde voortplantingscyclus dat de kransdiertjes niet alleen een nieuwe soort, maar zelfs een nieuw fylum bleken te zijn. Een fylum is een soortengroep met een eigen bouwplan, een aparte stam aan de boom des levens.

In het vorige week verschenen standaardwerk De Nederlandse Biodiversiteit – formaat stoeptegel en bijna 2,5 kilo zwaar – hebben de kransdiertjes een plekje gevonden tussen de stekelsnuitwormen en de kelkdiertjes. Het boek behandelt groepsgewijs zo’n 47.800 in Nederland gevonden soorten, in ruim 500 pagina’s met bijna duizend kleurenfoto’s. Voor de telling doen alle soorten mee die sinds 1758, het jaar waarin Linnaeus zijn boek Systema Naturae publiceerde, gedurende langere tijd in Nederland zijn voorgekomen.

ZUIGNAPJES

Wie scherp door de leesbril tuurt ziet op sommige kreeftensprieten inderdaad kleine pukkeltjes. Van Nieukerken schuift een preparaat onder de microscoop. “Dit zijn meercellige diertjes. Vrouwtjes meten eenderde millimeter. Zij hechten zich met zuignapjes aan zo’n mondspriet vast en pikken daar een graantje mee van wat de kreeft zoal eet, ongeveer net zoals er bacteriën in onze mond leven. De mannetjes zijn nog vier keer zo klein en leven vastgehecht aan volwassen vrouwtjes.”

De kransdiertjes leven met duizenden tegelijk op uitsluitend oudere kreeften. Op kleinere kreeften, die regelmatig vervellen, zien kransdiertjes blijkbaar geen kans om hun eigen ingewikkelde levenscyclus met seksuele en aseksuele stadia, knopvorming en larven op tijd te voltooien. Soms gaan vrijzwemmende vormen op zoek naar nieuwe ‘gastheerkreeften’. De wonderlijke kransdiertjes zijn nog niet lang bekend. Deense biologen beschreven ze in 1995 als eersten in Nature.

Op verzoek van de redactie van het biodiversiteitsboek ging krabben- en kreeftenkenner Charles Fransen van NCB-Naturalis op zoek. Afgelopen zomer kocht hij in Normandië verse kreeften op de markt, waarop hij inderdaad kransdiertjes aantrof. Toen ontdekte hij ze ook in de collecties kreeft-op-alcohol van Naturalis zelf. Toen mochten ze in het boek.

In hoeverre is de Nederlandse biodiversiteit nu in beeld gebracht? “We zijn nog maar net begonnen”, zegt Van Nieukerken. “Van alles wat in de bodem leeft en van soorten die je alleen onder de microscoop kunt zien is nog maar weinig beschreven. Bovendien is er de laatste jaren veel DNA-onderzoek gedaan, wat dramatische veranderingen in de stamboom van het leven veroorzaakt.”

LONGVISSEN

Vroeger was het simpel. Planten hadden bladgroen en dieren niet. Schimmels hadden geen bladgroen, maar hoorden toch bij de planten want ze konden niet lopen. “Nu gaan steeds meer oude zekerheden overboord”, zegt Van Nieukerken. “De eencelligen zijn geen echte groep meer, maar alleen een evolutiestadium, namelijk de voorlopers van de meercellige organismen. Ook reptielen en vissen zijn geen groepen meer. De mens is zo nauw verwant aan de longvissen dat je vissen alleen nog als groep kunt beschouwen als je daarbij ook de zoogdieren indeelt.”

Het boek De Nederlandse biodiversiteit verschijnt in het Jaar van de Biodiversiteit. Ruim 100 specialisten uit allerlei kennisorganisaties droegen bij. Ze beschrijven vogels en vaatplanten, buikharigen en beentasters. De schrijvers kwamen ook hand in hand vliegende galmijten, stampvoetende stofluizen, slaven houdende mieren en levendbarende dopluizen tegen. Vooral van veel eencelligen, zoals bacteriën, is onze kennis nog beperkt. Geregeld worden nieuwe soorten ontdekt en steeds meer exoten maken hun opwachting.

DIVERSITEIT

In het boek zijn de verspreidingsgegevens, afkomstig van de Particuliere Gegevensbeherende Organisaties, van ruim 18.000 dier- en plantensoorten op kaart samengevat. De hoogste diversiteit blijkt te vinden in het netwerk van onderling verbonden natuurgebieden, de Ecologische Hoofdstructuur, vooral op de zandgronden.

Vooral in de bodem leven veel meer soorten dan gedacht. Uit een gram grond kan men genoeg DNA extraheren om de snelste sequencer in het modernste lab wekenlang bezig te houden. Daar rolt dan ten slotte een enorme lijst van DNA-fragmenten uit, te herleiden tot duizenden verschillende bodemorganismen. Met nieuwe algoritmes en snellere chips brengt men steeds vaker het complete genoom in kaart. Steeds meer beschrijvingen zijn online beschikbaar. Tien jaar geleden ontstond het idee om van elke soort op aarde een stukje DNA in een databank op te slaan. Met zo’n “streepjescode” of DNA-barcode valt op den duur elk levend wezen op aarde te determineren.

Wereldwijd zijn nu bijna 2 miljoen soorten beschreven, maar vermoedelijk leven er wel 8 tot 10 miljoen soorten op aarde. Oudere beschrijvingen zijn vaak te summier om bruikbaar te zijn.

In hoeverre heeft het eigenlijk nut om aan elke soort op aarde een naamkaartje te willen hangen? Taxonoom Van Nieukerken noemt menselijke nieuwsgierigheid als eerste drijfveer. “Net zoals we willen weten wat er op de Egyptische papyrusrollen staat. Maar taxonomisch inzichten helpen ook om structuur aan te brengen en ecologische relaties te doorgronden. In een ecosysteem zijn de onderlinge relaties vaak zo ingewikkeld dat onze bescherming zich niet op losse soorten, maar op het hele ecosysteem moet richten. En ook bij plaagbestrijding is taxonomie onmisbaar. Als je wilt spuiten tegen de schadelijke larven van soort A die in april actief zijn, moet je wel zeker weten dat je niet te maken hebt met soort B waarvan de larven pas in juni verschijnen, anders ga je de mist in.”

De Nederlandse Biodiversiteit. Deel 10 in de serie De Nederlandse Fauna.J. Noordijk, R.M.J.C. Kleukers, E.J. van Nieukerken en A.J. van Loon (red.) Uitgever: Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis en eis-Nederland (European Invertebrate Survey – Nederland) i.s.m. de knnv. 512 pag. Prijs: € 49,95