Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Politiek

Een topvrouw zeurt nooit

Waarom slagen sommige vrouwen op weg naar de top, waar anderen falen? Topvrouwen geven tips: je moet durven mislukken, veel lachen en je aanpassen aan ‘de jongens’, zonder een man te worden. ‘Soms is het tijd voor een tactisch biertje.’

Binnenkort knutselen de kinderen van Maartje Bouvy weer kerststukjes op school. Daarvoor moeten ze oase, kersttakjes, kaarsen en balletjes meenemen van thuis. Het is natuurlijk de bedoeling dat hun moeder daarvoor zorgt.

Doet ze ook. Ze gaat naar de supermarkt, koopt vier kant-en-klare kerststukjes, trekt die uit elkaar, stopt de onderdelen in plastic zakjes en geeft die mee. „En als ze dan met die dingen thuiskomen, zeggen we: ‘Ooooh, prachtig’.”

Je kunt niet alles in het leven perfect doen, wil Bouvy, financieel directeur van het internationale ingenieursbureau Royal Haskoning, maar zeggen. „Je kunt niet een fulltime baan willen en alle onderbroeken gestreken hebben.”

Weg met de pretentie dat je aan alle verwachtingen kunt voldoen. Dat is de eerste voorwaarde als je een grootse carrière met een gezin wil combineren. Maartje Bouvy, Marjan van Loon, Francine Zijlstra, Caroline Princen, Merel van Vroonhoven – vijf vrouwen in de top van grote, internationale bedrijven – beginnen er allemaal over als ze de vraag krijgen waarom het hun wél lukt.

De vrouwen willen wel vertellen hoe zij hun werk en leven aanpakken – geen klaagzangen, van gezeur houden ze niet – omdat ze nog steeds de uitzondering zijn.

Nederland slaagt er maar niet in om het aandeel succesvolle vrouwen in de top van het bedrijfsleven te vergroten. Maar een kwart van de werkende vrouwen werkt fulltime, 8 procent van de bestuurders van beursgenoteerde bedrijven is vrouw, de toename vlakt zelfs af. Met het huidige kabinet is de politiek haar voortrekkersrol ook kwijt, waarmee voorlopig een einde is gekomen aan diversiteitsbudgetten en gedreig met quota. De debatten over glazen plafonds en plakkende vloeren hebben de afgelopen jaren nauwelijks geholpen.

Een verklaring die nu terrein wint, is dat Nederlandse vrouwen lui en onwillig zijn. Verwende prinsesjes, doopte journaliste Elma Drayer hen in haar veelbesproken boek.

Is dat zo? De vijf vrouwen beginnen er niet over als ze vertellen waarom zij slagen waar anderen falen. Ja, natuurlijk moet je gedreven zijn en hard werken om te doen wat zij doen. Maar je moet ook risico’s durven nemen. Ja zeggen op die baan waarvan je twijfelt of je ’m aankunt. Een keer durven mislukken. Je wensen hardop uitspreken, in plaats van wachten tot iemand ze raadt. Je aanpassen aan ‘de jongens’, maar geen halve man worden. Accepteren dat niet alles gaat zoals je het bedacht hebt. Thuis taken delegeren. Veel lachen. Niet tobben. En niet zeuren.

Caroline Princen, „gezegend met een prettige dosis zelfvertrouwen”, schrok toch toen een headhunter haar vorig jaar namens Gerrit Zalm belde. Of ze kon komen helpen met het samenvoegen van Fortis en ABN Amro? Ze was directeur van het staalbedrijf Nedstaal met 220 mensen. Ze had hooguit een keer gefantaseerd over een plek in de raad van commissarissen van ABN – 28.000 mensen – maar nooit over inhoudelijke verantwoordelijkheid in de raad van bestuur. „De stap was erg groot.”

Ze deed het. Omdat nee zeggen haar geen optie leek. En omdat ze nieuwsgierig haar eigen grenzen aftast. „Het moet toch haalbaar zijn? Ik denk er luchtig over. Ik vind het leuk om te kijken wat er allemaal mogelijk is met mij.”

Ze wil niet voor anderen spreken, maar ze ziet vaak dat vrouwen bang zijn om op hun gezicht te gaan. Princen: „Ik lig ’s nachts ook wel eens wakker van mijn werk. Maar ik denk vaak: dit zou ik moeten kunnen.”

Niet te perfectionistisch zijn op je werk. Dat moest Merel van Vroonhoven, directeur van de Nederlandse Spoorwegen, leren. Heel lang had ze het idee dat ze overal goed in moest zijn en daarvoor op haar tenen moest lopen. „Straks zien collega’s dat ik er niet goed in ben mijn plannen tot in de praktische details uit te werken. Natuurlijk zagen ze dat. Het stond op mijn voorhoofd! De enige die het nog moest accepteren was ik zelf.”

Marjan van Loon, vicepresident vloeibaar aardgas bij Shell, zegt het zo: „Vrouwen zijn heel goed in het opwerpen van hun eigen barrières.” Ze vragen zich af of ze wel goed genoeg zijn voor die baan. Of ze het wel met thuis kunnen combineren. Als in een functieomschrijving tien vereisten staan, geeft een man die er drie kan afvinken zichzelf een goede kans. Bij een vrouw die aan zeven voldoet, slaat de twijfel toe.

Toen Van Loon net werkte, had ze het idee dat ze de strijd aan moest gaan om én een carrière én een sociaal leven én kinderen te combineren. Een keuze voor het één lijkt dan al gauw een beslissing tegen het ander. „Later heb ik het meer op zijn beloop gelaten.”

Je moet het soms gewoon proberen. Toen zij en haar man in 1997 voor Shell naar Australië mochten, was de voorwaarde dat zij fulltime zou werken. Ze was net moeder en overwoog de makkelijke weg: mee naar Australië, maar daar met haar dochter thuis zitten, misschien nog een opleiding doen. Haar man wees haar erop hoe snel ze na haar zwangerschap weer aan het werk had gewild. En dat één van hen altijd nog ontslag kon nemen als het niet te combineren viel. Ze werken nog steeds allebei fulltime.

Meestal, zeggen de vrouwen, zijn ze gevraagd voor de banen die ze kregen. Het belangrijkste dat zij deden was toehappen. En daarna presteren natuurlijk.

Maar soms moet je vaker je mond opendoen, vooral als je al binnen het bedrijf werkt. Francine Zijlstra, bestuurslid bij retailvastgoedinvesteerder Corio, was hiervoor directeur strategie en acquisitie bij het bedrijf. Ze solliciteerde om toe te treden tot de raad van bestuur. „Ik had hard gewerkt en ik vond dat ik het kon.”

Het duurde even. Zo’n twee jaar lang vergaderde ze met de raad van bestuur mee, terwijl ze er niet in zat. In die tijd herhaalde ze haar wens. Vorig jaar werd ze uiteindelijk toegevoegd aan de raad. „Als ik mijn punt niet was blijven maken, waren ze misschien naar iemand van buiten op zoek gegaan.”

Corio, een van de grootste eigenaars en managers van winkelcentra in Europa, is geen mannenbedrijf. De helft van het personeel is vrouw. Maar in de raad van bestuur is Zijlstra de enige. Eén laag daaronder, de directies van zes landen, zijn het er twee op achttien. Ze voelt zich prima in een mannenbolwerk, ze vindt dat er genoeg ruimte voor haar is. Toch verbaast ze zich er over hoe haar mannelijke collega’s vaak direct hun punt willen maken, terwijl zij liever eerst luistert.

Is punten willen scoren een typisch mannelijke eigenschap? Net als je eigen plan op tafel leggen zonder naar de afwegingen van collega’s te luisteren? Om baf, agressief bovenop andermans voorstel te duiken? Een opschepmail rond te sturen wanneer je een grote klant hebt binnengehaald? Je zaakjes aan iemands bureau te regelen, buiten de formele vergaderingen om? De vrouwen weten het niet zeker, maar ze vermoeden het wel.

Caroline Princen loopt nu ook vaker even iemands kantoor in om één-op-één iets te regelen, in plaats van in een vergadering. Francine Zijlstra laat het wat vaker zien als ze goed werk heeft afgeleverd.

Maar je moet geen halve man willen worden. Toen Merel van Vroonhoven in 2002 als eerste vrouw zitting nam in de directie van Nationale Nederlanden, besloot ze directiever – lees: mannelijker – op te treden. Een besluit nemen of koers bepalen, is voor haar een „associatief proces”. Daarin overlegt ze, vraagt ze anderen naar hun ideeën, praat er nog eens over, slaapt er een nachtje over. „Ik merkte dat mannen in die tijd van aftasten soms denken: ‘Kan zij wel besluiten nemen?’ Het wekt blijkbaar de indruk dat je twijfelt.”

Ze zat als jonge vrouw op een belangrijke positie in een bedrijf in een moeilijke tijd. „Toen ben ik, uit onzekerheid, mannen gaan kopiëren. Ik dacht: ik ga het op dezelfde manier doen, dat komt kordaat over.” Ze kwam er snel achter dat ze daar niet alleen ongelukkig van werd, ze bereikte er ook haar doel niet mee. „Mensen om mij heen vroegen: Merel, kan het niet wat vriendelijker?”

Maartje Bouvy noemt zichzelf een spijtoptant. „Ik ben altijd heel masculien geweest. Feitelijk, cognitief, competitief, van hup, hierheen. Ik hou van een robbertje straatvechten.” Totdat ze een artikel las waarin Neelie Kroes zei: het heeft geen zin om een man-in-het-kwadraat te worden. „Ik dacht: potverdorie, ze heeft gelijk.” Vrouwen zijn sterk in verbinding zoeken, weet ze. Ze maken het gezellig, voelen dingen aan, bouwen op elkaar door. Net als clichés over mannen zijn veel clichés over vrouwen gewoon waar.

Blijf vrouw, zegt Bouvy, maar denk wel na over omgangsvormen. Ze ging ooit eten na een vergadering met een groep mannen. „Ze hielden mijn jas op, schoven mijn stoel aan. Vreselijk overdone voor een zakelijke setting. Maar zij wisten ook niet hoe je met een vrouw omgaat.”

Liefst had ze die avond spa gedronken, maar ze koos toch op luide toon voor een biertje. De stemming verbeterde onmiddellijk. „De man naast me fluisterde: ik was even bang dat je spa rood ging bestellen.” Bouvy wil niet zeggen dat je altijd maar moet drinken. „Maar als je altijd spa drinkt, kijken mannen toch op een bepaalde manier tegen je aan. Soms is het tijd voor een tactisch biertje.”

Aan onhandigheid van het andere geslacht valt overigens best wat te doen. Bij Shell is Marjan van Loon aanspreekpunt voor managende mannen die niet weten wat ze met hun vrouwelijk personeel aanmoeten. Ze herinnert zich haar sollicitatie bij het olieconcern nog, in 1989, als net afgestudeerd scheikundige. Eén van de eerste mannen bij wie ze aan tafel zat vroeg: „Wat breng je nog meer mee, behalve een technische studie?” Op de wedervraag wat hij bedoelde: „Nou, je bent een meisje.” Als er een vrouw werd aangenomen, moest ze wel heel bijzonder zijn. „Toen ben ik weggelopen.”

Zulk seksisme komt ze niet meer tegen, maar „vooral het middle management gaat niet altijd handig met vrouwen om”.

Van Loon geeft ze advies. Als een vrouw met jonge kinderen wat minder goed presteert, ziet ze, schrijven mannen haar vaak af. „Zij begrijpen niet dat het een fase is waarin ze haar juist moeten steunen. Je mag haar wel een lagere beoordeling geven, maar haar competenties en potentieel zijn er nog steeds.”

Als vrouwen in die periode niet door hun leidinggevende worden gesteund, gaan ze zeker minder werken of haken helemaal af. Dat gebrek aan steun is een belangrijke reden dat vrouwen wel instromen bij prestigieuze bedrijven, maar niet doorstromen naar de top.

Ze stappen er onnodig uit, vinden de vijf vrouwen. Met wat geld, fantasie en moed valt er thuis genoeg te organiseren. Oppas, crèche, boodschappenservice, bijspringende ouders, buitenschoolse opvang, schoonmakers, thuiswerken.

Al in haar eerste gesprek met Gerrit Zalm vroeg Caroline Princen – twee kinderen in co-ouderschap – of ze een middag in de week de kinderen van school kon halen. „Eén keer in de week wilde ik dat plaatje: mamma thuis met thee. Dat was geen probleem. Het resultaat is belangrijker dan de uren.” Als haar kinderen bij haar voormalige partner zijn, kan ze „voluit gaan”.

Francine Zijlstra, moeder van drie tieners, heeft na schooltijd vaak een oppas die kookt als haar man er niet is. Het helpt dat haar man, piloot, haar steunt en 80 procent werkt. „Twee fulltime carrières wordt lastig.”

Maartje Bouvy en haar man, lokaal directeur van de Rabobank, werken wel allebei voltijds. Ze hebben twee dagen per week oppas voor hun kinderen van 4, 6, 8 en 9, en drie dagen buitenschoolse opvang. Bouvy plant nooit vergaderingen voor tien uur en na vier uur, zodat ze thuis kan eten. Haar man kookt. „Maar ’s avonds gaat de laptop wel aan.”

Als het je lukt een huishouden met vier kinderen te organiseren, zegt Bouvy, valt werk wel mee. Het scheelt dat ze zo makkelijk is. Haar kinderen zoeken ’s ochtends hun eigen kleren uit. „Ze gaan soms zonder sokken naar school, of op twee verschillende schoenen als Pippi Langkous.” Ze prikt een vinger door een losse naad in haar jasje. „Dit mag ik eigenlijk niet aan van mijn moeder. Ze is modeverkoopster. Zij koopt al mijn kleren.”

Merel van Vroonhoven had een echtgenoot die musicus is en het huishouden deed. „De traditionele rolverdeling, maar dan andersom.” Sinds zij uit elkaar gingen, zijn ze co-ouders. De helft van de tijd zorgt Van Vroonhoven alleen voor haar zonen van 6 en 8. „Ik dacht dat het veel moeilijker zou zijn, maar er is veel aan opvang en hulp te regelen.”

Als je meer tijd met je kinderen wilt doorbrengen, vindt ze, hoef je niet per se minder te gaan werken. Je moet het alleen beter organiseren. Met laptops en blackberries kan iedereen overal werken. „Strikte werktijden en blijven zitten tot de laatste werknemer het gebouw uit is, zijn niet meer van deze tijd.”

Voor een verloskundige of caissière is tijd indelen misschien lastiger dan voor iemand aan de top.

Ja, ze vragen zich soms af of man en kinderen hun veeleisende functie nog leuk vinden. Bouvy: „Mijn oudste riep dan ‘thuis!!’ als we weer bij de crèche aankwamen. Dan denk je wel: oh shit.” En natuurlijk zien ze minder vrienden dan ze zouden willen en houden ze er geen tijdrovende hobby’s op na. Maar als je een mooie baan hebt, vinden de vrouwen, moet je daarover niet klagen.

Dat moet je sowieso niet doen. Bouvy ziet genoeg, wat ze noemt, high-maintenance-vrouwen. „Daar willen mannen niet mee werken. Heb je thuis al zo’n type zeikwijf, zit er op het werk nog één.”

Het gaat er vaak maar net om hoe je het brengt als werk en privé botsen. Toen Marjan van Loon zwanger was van de tweede, stapte ze monter op haar uiterst traditionele baas af en zei: „Ik heb twee keer goed nieuws: ik ben zwanger en ik kom terug.”

Het helpt om een dikke huid te kweken. Bijvoorbeeld als je als excuustruus wordt bestempeld. Princen maalt er niet om. „Je bent vast aangenomen omdat je een vrouw bent, zeggen mensen dan. Dan antwoord ik: dat klopt.” En dan? „Dan is de discussie wel voorbij. Je moet er niet te gevoelig voor zijn.”

Ook Van Vroonhoven weet dat ze wel eens voorrang heeft gekregen omdat ze vrouw is, al is het maar omdat je opvalt als je er bij een grote bank anders uitziet. „Maar de bazen denken echt niet: ik ga daar een mevrouw neerzetten, want dan scoor ik diversiteitspunten, als ze tegelijkertijd een enorm risico lopen dat hun bedrijfsonderdeel de financiële resultaten niet haalt.”

De vijf vrouwen zijn het niet eens over het nut van diversiteitsbeleid, vrouwennetwerken en quota. Wat voor hen heeft gewerkt, is geen garantie voor anderen. Ze vinden het wel allemaal belangrijk dat er vrouwen in selectiecommissies zitten. Anders blijven de old boys nieuwe mannen aanstellen op cruciale posities. Want wat is uiteindelijk doorslaggevend voor het succes van vrouwen in het bedrijfsleven? Van Vroonhoven: „Dat er vooruitziende, moedige mannen zijn, die het in jou zien en het belangrijk vinden dat hun bedrijf diverser wordt.”

Totdat er genoeg vrouwen zijn. En dan, want daar vinden de vrouwen het hoog tijd voor, kunnen journalisten eindelijk aan topmannen gaan vragen hoe ze dat toch doen: werk en thuis.