Slechte seks

Door verblijf in het buitenland kreeg ik pas vandaag de beschouwing (Boeken 19-11-10) onder ogen die Elsbeth Etty schreef naar aanleiding van mijn laatste boek, Venus in minirok. Seks in de literatuur na 1945. Aan het slot hiervan signaleert ze dat slechts weinig schrijvers zich durven te wagen aan beschrijvingen van pure geilheid. Ze vervolgt:

‘Weliswaar besluit Piet Calis zijn Venus in minirok met de opmerking dat hier ‘de angst die lange tijd de tweelingzuster van de seksualiteit is geweest, een forse stap heeft teruggezet’, maar hij is zelf de belichaming van die angst met zijn slotopmerking dat hij in zijn boek aan enkele seksuele andere varianten, ‘gekoesterd in meer exclusieve kring’ stilzwijgend voorbij is gegaan. ‘De reden hiervoor is dat ik geen gedichten of fragmenten uit romans of toneelstukken heb gevonden die daarover gaan.’ Op welke seksuele varianten zou Calis in ’s hemelsnaam doelen?’

Elsbeth Etty stelt een vraag. Ze heeft recht op een antwoord.

Met mijn opmerking doelde ik op die varianten van de geslachtsdrift die zelden aan het daglicht treden, zoals bij de minnaars van menselijke uitwerpselen – zie De Sade – of stoffelijke overschotten. Het gaat me daarbij niet om symbolische of louter verbale verwijzingen zoals bij Achterberg (de gestorven geliefde) of de ook door Etty genoemde Jonathan Franzen (de consumptie van de eerder vermelde uitwerpselen).

Mij zijn uit de moderne Nederlandse literatuur geen voorbeelden van lustbeleving uit coprofage of necrofiele kring bekend, wat natuurlijk niet wil zeggen dat ze er niet zijn. Hoe Elsbeth Etty daaruit de conclusie trekt dat ikzelf ‘de belichaming van die angst’ zou zijn, is me een raadsel.

Piet Calis, Amsterdam