Cartograaf van de zwemmende waanzin

Kaartenmakers kon de VOC wel gebruiken, maar onderzoekers niet. Toch hebben VOC’ers wel studie gemaakt van de Aziatische natuur, zoals Samuel Fallours en Joan Gideon Loten, de gouverneur van Ceylon. Maar dat deed hij wel in zijn vrije tijd, schrijft Roelof van Gelder.

Alexander J.P. Raat: The Life of Governor Joan Gideon Loten (1710-1789). A Personal History of a Dutch Virtuoso. Verloren, 830 blz. € 75,-

Samuel Fallours: Tropical Fishes of the East Indies. Taschen, 208 blz. € 50,-

Ruud Paesie: Zeeuwse kaarten voor de VOC. Het kaartenmakersbedrijf van de Kamer Zeeland in de 17de en 18de eeuw. Walburg Pers, 104 blz. €19,95

Jos Gommans, Rob van Diessen, Jeroen Bos, Gijs Kruijtzer e.a.: Grote Atlas van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Deel VI: Voor-Indië, Perzië, Arabisch Schiereiland. Deel VII: Oost-Azië, Birma tot Japan. Uitgeverij Asia Maior, 420 en 424 blz. € 295,- (tot 31 december), daarna € 350.- per deel.

Het zal niet iedere bezoeker van Westminster Abbey opvallen, maar er bevindt zich daar een epitaaf gewijd aan een Nederlander. Hij deelt deze eer met Britse koningen, generaals en staatslieden en met Shakespeare, Newton, Purcell en Händel. Deze Nederlander, Joan Gideon Loten, heeft vermaardheid gekregen omdat hij in Azië in VOC-dienst aquarellen heeft laten maken van vogels, vissen, insecten, zoogdieren en planten. Een aantal daarvan diende tot voorbeeld voor de illustraties van natuurhistorische boeken. Linnaeus bijvoorbeeld noemde de Ceylonese zonnevogel naar hem, de Certhia lotenia. Van deze man heeft de bioloog Lex Raat zo’n dertig jaar lang alle sporen nagegaan om te komen tot een monumentale biografie. Hij promoveerde erop in Leiden.

De VOC had het niet zo op onderzoekers. Men was daar niet in dienst als bioloog of antropoloog, maar als koopman, bestuurder, soldaat of zeeman. Alleen botanici konden nog wel eens hun gang gaan omdat planten medicinaal van nut konden zijn. Loten is een van de weinige VOC-dienaren geweest die zich actief hebben geïnteresseerd voor de Aziatische natuur. Dankzij zijn hoge positie kon hij zijn vrije tijd daaraan besteden. Hij tekende zelf en verleende opdrachten, vooral in Colombo en Batavia. Meestal ging de tekenaar uit van geprepareerde dieren; vogels zien we dan ook stevig vastgepind op een boomstammetje.

Loten komt in dit boek naar voren als een rechtschapen, breed georiënteerd man. Hij kwam uit een gegoed Utrechts milieu. Na een niet voltooide studie rechten reisde hij, op 22- jarige leeftijd, naar Batavia als onderkoopman. In de 25 jaar die volgden maakte hij een glanzende carrière op Java en Celebes en op Ceylon waar hij gouverneur werd. Hij eindigde in Batavia in het hoogste bestuursorgaan van de VOC. Na 25 jaar keerde hij schatrijk terug, maar hij was geen big spender die met koetsen en zwarte palfreniers door de stad uit rijden ging. Hij vestigde zich in Londen waar hij in intellectuele kringen verkeerde. Hij ging om met de steenrijke Joseph Banks, de eerste secretaris van de Royal Society en met de botanicus Daniel Solander. Beiden waren met James Cook de wereld rondgereisd.

Loten werd lid van de Royal Society en van de Society of Antiquaries. Hij kende de societyschilder Joshua Reynolds die hem portretteerde. Al deze mensen waren geïnteresseerd in Lotens verhalen en natuurlijk ook in zijn tekeningen, die hem dan ook dienden als een introductie in deze kringen. Maar Loten, die een astmatische aanleg had, voelde zich in het vochtige, mistige klimaat fysiek benauwd en sociaal uitgesloten. Na twintig jaar keerde hij terug naar Utrecht. Toch bleef hij heen en weer pendelen tussen Londen en Utrecht, nergens echt thuis.

De uitvoerige Loten-biografie biedt een levendig beeld van de man en zijn familie en van een door zijn ziekte ook wel wat teruggetrokken figuur. Raat toont het contrast tussen Lotens Indische jaren met veel vrijheid en aanzien, en de Europese periode waarin hij zich ondanks zijn rijkdom nergens geaccepteerd voelde. Het boek geeft een plastisch inzicht in Lotens huiselijke zorgen, in zijn problemen met zijn personeel, met zijn vroeg overleden kinderen, met losbollige kleinkinderen, met een vrekkige en schulden makende schoonzoon en met lieden die hun geld niet aan hem terugbetaalden. Tegelijkertijd biedt het boek een tijdsbeeld. We lezen er over strategieën om carrière te maken, over politieke machinaties, over VOC-bestuursperikelen, over Utrecht waar de patriotten de macht grijpen en ook weer verliezen, en over Londen met zijn koffiehuizen en roddelcircuits. Loten overleed in Utrecht. Zijn weduwe, van Engelse komaf, beijverde zich met succes voor het monument in Westminster Abbey.

Raat heeft elke snipper Loten gretig bestudeerd. Het bronnenmateriaal, waaronder brieven en dagboekaantekeningen, was omvangrijk en zo weten we nu van dag tot dag hoe Loten zijn astma bestreed met mosterdzaad en opium. Soms is dat iets te veel van het goede. Details, uitweidingen, zijlijnen, commentaar op zijn bronnen hadden op vele plaatsen beter als voetnoot opgenomen kunnen worden. Dat neemt niet weg dat het een buitengewoon interessant en rijk boek is, een respectvol papieren epitaaf voor een veelzijdig Nederlander.

Musket

Eerder en korter dan Loten zat er nog een door de natuur geobsedeerde figuur in Oost-Indië. Dat was de Rotterdammer Samuel Fallours, die vanaf 1703 als soldaat drie jaar in Batavia werkte en daarna zes jaar op Ambon. Daar ontdekte de gouverneur Fallours’ tekentalent zodat hij in plaats van de musket de tekenpen mocht hanteren. In die zes jaar legde hij honderden vissen en kreeftachtigen vast. Het album dat zo ontstond viel ook bij andere hoge heren in de smaak en zo kreeg Fallours het verzoek kopieën te maken. In totaal zijn er tien verschillende sets bekend. Een daarvan, in de Universitätsbibliothek Göttingen, is nu in facsimile uitgegeven.

Fallours’ vissen ogen onwerkelijk door hun felle kleuren; het zijn psychedelische wonderdieren, eerder ontsproten aan een hallucinerend brein dan aan dat van een nauwkeurig observerende tekenaar. We zien felgele en gifgroene vinnen, intens rode en purperen schubben, gestreepte en gespikkelde. Eerder snoepgoed dan levende wezens, een kakofonie die de spot lijkt te drijven met de schepping. In Europa was men verrukt van deze zwemmende waanzin, en de Amsterdamse uitgever Louis Renard gaf met veel kosten en moeite in 1719 zijn tweedelige Poissons, ecrevisses et crabes uit met honderd platen die bij elkaar 460 vissen en andere zeedieren bevatten. Het was een succes en in die eeuw volgden nog twee herdrukken. Bovendien namen verscheidene uitgevers van boeken van natuurlijke historie afbeeldingen over.

Zo gefascineerd door de exotische dieren als men in de 18de eeuw was, zo vernietigend luidde het oordeel in latere tijden. Fantasie, oplichterij, kinderachtig, zo klonk het. Maar was die kritiek terecht? Vissenkundigen hebben vastgesteld dat de kleuren inderdaad op fantasie berusten. Ze zijn arbitrair, wat niet zo vreemd is. Dode vissen behouden nog wel even hun vorm, maar verliezen hun kleuren. Snorkelen was er in Fallours’ tijd nog niet bij. Dat alles laat onverlet dat 90 procent van Fallours’ vissen waarheidsgetrouw is weergegeven. Van de Zoetlip tot de Amblycirrhitus bimacula die destijds ‘het koninginnetje’ werd genoemd en nog vrolijk rondzwemt in de Banda Zee. Slechts 10 procent is ontsproten aan fantasie. Dat geldt bijvoorbeeld voor de zeemeermin, die volgens het bijschrift vier dagen in gevangenschap had geleefd, veel zuchtte en kleine geluidjes maakte en niets wilde eten en van verdriet is gestorven. Geef haar eens ongelijk.

Familiebedrijf

Mensen als Loten en Fallours zijn helaas niet representatief voor de VOC-mentaliteit. Het was een zakelijk bedrijf en wie tekentalent bezat, kon beter een carrière beproeven als kaarttekenaar in Nederland of in Azië. De gedachten gaan dan doorgaans uit naar de Amsterdamse familiefirma Blaeu. Onlangs echter maakte de maritiem historicus Ruud Paesie duidelijk dat er ook in Middelburg zo’n familiebedrijf heeft bestaan. Het werd opgericht door Arent Roggeveen en voorgezet door zijn zoon Jan en diens stiefzoon. Paesies Zeeuwse kaarten voor de VOC maakt nog eens duidelijk hoe belangrijk het is om ook de niet-Hollandse gewesten bij de geschiedenis van Nederland te betrekken.

Samen hebben de Roggeveens in een periode van 70 jaar duizenden kaarten gemaakt. Dat daar maar een fractie van bewaard is gebleven blijkt uit de Grote Atlas van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, een meerdelige reeks waarvan nu de laatste delen zijn verschenen. Bij het onderzoek voor deze reeks is maar een handjevol kaarten van de firma Roggeveen opgedoken.

De sterke kant van deze indrukwekkende serie met zijn royale reproducties en instructieve bijschriften is dat men zich niet heeft beperkt tot kaarten, maar dat ook topografische voorstellingen zijn opgenomen, dus tekeningen en schilderijen van VOC-vestigingen, van bouwwerken en van landschappen. Dit soort tekeningen vormt vaak de eerste realistische verbeelding van deze verre streken. Behalve de uitgewerkte en vaak mooie kaarten heeft men ook de haastige krabbels opgenomen die individuele reizigers hebben gemaakt. Vaak in haast, niet altijd even professioneel, maar door hun directheid toch aansprekend. Daartoe behoren de schetsjes van de Vlissingse avonturier Samuel van de Putte die in zijn eentje jarenlang door Azië zwierf en zelfs Tibet en Peking bezocht.

Ook reportages van enkele hofreizen zijn opgenomen. Dat waren langdurige ondernemingen met een diplomatiek en commercieel doel. Tweemaal in de jaren vijftig en zestig van de 17de eeuw toog zo’n gezelschap naar de keizer van China in Peking. De twee jaar durende tochten leverden weinig op, maar we danken er, dankzij tekenaars die meereisden, twee mooie series tekeningen aan. In Japan maakte de VOC elk jaar een hofreis. Op één daarvan ging de briljante Duitse arts Engelbert Kaempfer mee. Hoewel het verboden was, maakte hij, in haast en in het geheim, krabbelige schetsen. Hij was geen beroepskunstenaar, maar juist daardoor legde hij details vast die een vakman had genegeerd. Het is eeuwig zonde dat deze Kaempfer niet de kans van de VOC heeft gekregen om zijn wetenschappelijke talenten in Oost-Indië te ontplooien. Ook zijn tekeningen en geschriften zijn in Londen beland. Maar zijn epitaaf staat in Duitsland in de vorm van een museumpje in zijn geboorteplaats Lemgo.