Tussen denken en doen

Soms is het een voordeel om de advisering en hervorming van het regeringsbeleid in één hand te houden. Zo’n vorm van intellectuele en operationele machtsconcentratie schept heldere verantwoordelijkheden. Staatssecretaris Ben Knapen (Buitenlandse Zaken, CDA) kan daarmee zijn voordeel doen. Als lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) was hij de hoofdauteur van het rapport ‘Aan het buitenland gehecht’ dat gisteren verschenen is. Als bewindsman kan hij vandaag al beginnen met de uitvoering van zijn eigen aanbevelingen.

De WRR maakt in zijn rapport een heldere analyse waarom de machtspositie van Nederland afneemt. Ten eerste zijn er geen eenduidige ankers meer in de multipolaire wereldorde. Ten tweede is Nederland in de ban van Europees onbehagen, hoewel de EU zowel politiek als economisch een levensader is. Ten derde is de Staat zelf als entiteit versnipperd door de „desaggregatie” waarmee de netwerkmaatschappij nu eenmaal gepaard gaat.

In deze „hybride” wereld kan Nederland maar beter „niches” opzoeken, waarin het kan excelleren. Dus geen mensenrechtenbeleid voeren „voor iedereen, altijd en overal”, zoals minister Verhagen (CDA) deed. De „traditionele reflex” op de VS, die tot uiting kwam bij de Irak-oorlog en de aanschaf van de JSF, moet ook plaats maken voor de wens een „excellent lid” van de EU te zijn. Niet met de pet in de hand maar met een selectieve focus op thema’s als klimaat, water, duurzaamheid en rechtsorde, aldus Knapen.

Die nieuwe koers heeft organisatorische gevolgen. Zo pleit de WRR er voor Europese Zaken direct onder de premier te laten vallen en een permanente Europese stuurgroep te vormen. Dit gaat ten koste van de „poortwachters” op Buitenlandse Zaken.

Terecht. Realiteitszin dwingt Nederland de koers te verleggen. Maar de politieke werkelijkheid in het kabinet is een andere, zowel tussen de coalitiepartners als onder de christen-democraten.

Minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD) heeft meteen al afstand genomen van de idee dat er duidelijkere prioriteiten bij Europa worden gelegd. Hij wil het én-én (EU en NAVO), dat het beleid altijd kenmerkte, voortzetten. Vicepremier Verhagen (CDA) zal de kritiek van partijgenoot Knapen ook niet zonder slag of stoot aanvaarden. En premier Rutte mag dan extra macht krijgen als het aan de raad ligt, de kern van het advies is toch problematischer. Het succes van zijn regeerakkoord is namelijk deels afhankelijk van de vraag of Europa bereid is verdragen en regels aan te passen ter wille van specifiek Nederlandse eisen.

Maar daarmee is niet gezegd dat het rapport van de WRR een klassieke bestemming krijgt: de onderste bureaula. De auteur is daar immers zelf bij. Om het in zijn vocabulaire te zeggen. Als de intellectueel Knapen zichzelf weet op te werken tot de politicus Knapen, kan hij het ‘verschil’ in het buitenlandse beleid maken.