Langstudeerboete zal vooral universiteit hard treffen

Een boete voor degenen die nu al te lang studeren is in strijd met de jurisprudentie. Universiteiten worden onevenredig hard gestraft en zouden zelfs failliet kunnen gaan aan de maatregel, schrijft R.J. de Wijkerslooth.

Het klinkt redelijk in het regeerakkoord: „Om het studierendement te verhogen, zal van langstudeerders een hoger collegegeld worden gevraagd”. Wie kan daar tegen zijn? Uit de financiële bijlage blijkt dat het een bezuiniging betreft, met ingang van 2011, van 370 miljoen euro op de rijksbijdrage die universiteiten en hogescholen ontvangen voor hun onderwijs. Dat is de meest omvangrijke en schadelijke bezuiniging van de afgelopen decennia.

Een regeerakkoord is een afspraak, geen wet. Voordat het parlement de begroting en de wetswijziging goedkeurt, is het goed de consequenties ervan onder ogen te zien. Die komen hard aan.

De langstudeerdersmaatregel treft ongeveer eenvijfde van de universitaire studenten. Zij moeten vanaf september 2011 het met drieduizend euro verhoogde collegegeld van 4.700 euro betalen. Het ministerie van Onderwijs sluit uit dat zij extra studiefinanciering krijgen. Ze staan dus voor een dilemma: meer bijverdienen en langer studeren, of er helemaal mee stoppen en nooit afstuderen.

Het is opmerkelijk dat deze maatregel ook geldt voor degenen die nu al studeren – in 1989 constateerde de Hoge Raad dat onder meer een collegegeldverhoging voor zittende studenten in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel.

Hogescholen en universiteiten worden gestraft met een bedrag van zesduizend euro per langstudeerder. Dat is op zichzelf al vreemd, want universiteiten krijgen ook nu al geen geld van de overheid voor langstudeerders. Het betreft dus niets anders dan een verdeelsleutel voor de bezuiniging van 370 miljoen euro, die per definitie moet worden gehaald: als minder mensen te lang studeren, wordt de boete van zesduizend euro verhoogd.

Universiteiten verliezen ongeveer eenvijfde van het overheidsgeld ten behoeve van hun onderwijs. Dat betekent 20 procent minder onderwijsuren of 20 procent minder studieplaatsen voor toekomstige studenten, en gedwongen ontslag voor een op de vijf docenten in vaste dienst. Omdat universiteiten zelf de wachtgelden moeten betalen van degenen die zij ontslaan, brengt dat zeer hoge kosten met zich mee: een eenmalige voorziening die ongeveer drie keer zo hoog is als de in een jaar structureel bespaarde kosten. Het totaalbedrag dat met zo’n ingrijpende afvloeiing is gemoeid, kan het eigen vermogen van een universiteit te boven gaan, waardoor deze failliet gaat.

Gezien het drastische en riskante karakter van de langstudeerdersmaatregel zou men denken dat er een groot maatschappelijk probleem mee wordt opgelost. Dat is niet zo. De groep langstudeerders is heterogeen. Ze volgen een studie waarvoor ze eerst waren uitgeloot, ze lopen stage in het buitenland, ze volgen twee studies of ze hebben een bestuursfunctie. Universiteiten ervaren twee groepen als problematisch: studenten met een gebrekkige vooropleiding en degenen die geen inzet en resultaat tonen. Niet alleen omdat universiteiten voor hen geen bekostiging ontvangen, maar ook omdat de wetgever universiteiten maar zeer beperkt de wettelijke mogelijkheden heeft gegeven om op te treden tegen studenten die niet presteren.

R.J. de Wijkerslooth was van 1991 tot 2000 directeur-generaal wetenschappen op het ministerie van Onderwijs en sinds 2000 bestuursvoorzitter van de Radboud Universiteit Nijmegen.