Kwakkelende jubilaris

De vele berichten over het naderende einde van het poldermodel zijn steeds zwaar overdreven gebleken. Het is dus zaak om voorzichtig te zijn met stellingen dat de SociaalEconomische Raad (SER), minder relevant of zelfs irrelevant is geworden. Als het land door polarisatie uiteen dreigt te vallen, is tenslotte de redding door de SER nabij.

Tenminste, dat was de bedoeling. Maar buiten én binnen de SER, die deze maand zijn zestigjarig bestaan viert, is de twijfel over het functioneren van dit adviesorgaan van werkgevers, werknemers en (onafhankelijke) Kroonleden groot. Dat bleek deze week uit een artikel in NRC Handelsblad, waarin (ex-)Kroonleden en (andere) economen met nadruk wezen op de gemarginaliseerde positie van de SER. Het bleek ook vorige week in het Financieele Dagblad waarin de algemeen directeur van de werkgeversorganisaties VNO-NCW en MKB Nederland, Niek Jan van Kesteren, stelde dat de SER de laatste jaren weinig invloedrijke adviezen heeft uitgebracht. De raad „kwakkelt”, zei hij.

Het zijn opvattingen die strijdig zijn met de bevindingen van Bas van Bavel, hoogleraar Economische en Sociale Geschiedenis in Utrecht. In zijn vorige week verschenen boek SER 1950- 2010, Zestig jaar denkwerk voor draagvlak spreekt hij tegen dat de SER een vertragende factor is. Integendeel, de Raad zorgt juist volgens Van Bavel voor een snellere implementatie van het beleid van de overheid.

Feit is niettemin dat Van Bavels conclusies eerder op het verre dan op het nabije verleden slaan. Feit is ook dat de neiging om met tranen, zweet en geduld tot een consensus te komen, in het huidige politieke klimaat niet al te groot is.

De SER is een product van christen-democratische ideeën over de rol van het maatschappelijk middenveld. De raad was het geesteskind van de KVP’er Jan van den Brink, de naoorlogse minister van Economische Zaken. De sociaal-democraten sloten zich destijds bij zijn opvattingen aan. Premier Willem Drees (PvdA) zei bij de oprichting in 1950 van de SER: „Een regering die niet wil weten wat er leeft bij werkgevers en werknemers, doet zichzelf tekort.”

Dat geldt zestig jaar later ook voor het kabinet-Rutte. Ook al wordt dat geleid door een VVD’er, de partij die in 1995 het juiste initiatief nam om de verplichte adviesaanvragen van het kabinet aan de SER af te schaffen. Sindsdien geldt des te meer dat een SER-advies aan waarde wint als de intrinsieke kwaliteit ervan moeilijk valt te betwisten én als het unaniem wordt uitgebracht. Dat heeft de SER zelf in de hand. In de wetenschap dat elk kabinet gebaat is bij rust op de arbeidsmarkt in het traditioneel stakingsarme Nederland. Een traditie die niet vanzelf blijvend is.