WRR: andere ambities in beleid buitenland

Nederland moet zich in zijn buitenlandse politiek beperken tot nog maar een aantal onderwerpen. Daarmee kan het zich in het buitenland veel sterker onderscheiden dan nu. Tegelijkertijd moet Nederland in Europa veel meer samenwerken.

Dit stelt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid in een advies over het buitenlandbeleid van Nederland. Het rapport zou vanmiddag overhandigd worden aan minister Rosenthal (Buitenlandse Zaken, VVD).

Als voorbeelden waarop Nederland zich kan toeleggen, noemt de Raad water en klimaat, voedsel en duurzaamheid en bevordering van de internationale rechtsorde. Nu is het buitenlandbeleid volgens de WRR te veel versnipperd en verkokerd. „Omdat wij onze eigen doelstellingen niet eigenhandig kunnen bereiken, doen wij van alles een beetje”, aldus de Raad. Bij de te maken keuzes zal het Nederlands belang voorop moeten staan. Ook moeten onderwerpen worden gekozen waar Nederland daadwerkelijk een verschil kan maken.

De nieuwe werkwijze die de Raad voorstelt, zou ingrijpende gevolgen hebben voor het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dat zal zich niet meer kunnen opstellen als „de onontbeerlijke poortwachter in het verkeer tussen ons land en de rest van de wereld”, stelt het advies. Regie over de betrekkingen met het buitenland is door de inhoud en het karakter van de internationale betrekkingen „tot op zekere hoogte een illusie”, aldus de Raad.

Nu beschouwt het ministerie van Buitenlandse Zaken zichzelf nog als het enige aanspreekpunt wanneer het buitenland in het geding is. Dat geldt ook voor het beleid dat samen met de andere Europese lidstaten wordt gevoerd en daarom door Buitenlandse Zaken wordt gecoördineerd. In de Haagse bureaucratie leidt de overheersende positie van Buitenlandse Zaken vaak tot fricties.

Volgens de WRR zou het ministerie van Algemene Zaken onder leiding van de minister-president de coördinatie van het buitenlands beleid moeten overnemen. „Immers, Europa is geen buitenlandse, maar goeddeels een binnenlandse zaak”, zegt de Raad.

De WRR zegt verder dat Nederland moet erkennen dat Europa een „dominante en politieke arena” is en dat dit ook gevolgen heeft voor het veiligheidsbeleid. Nu richt Nederland zich, in tegenstelling tot veel andere EU-landen, traditioneel op de Verenigde Staten en de NAVO. Nederland moet ook hier meer aansluiting zoeken bij Europa. „Aan de zijlijn vaststellen dat Europa tekortschiet, helpt niet”, aldus de Raad.

Vraaggesprek: pagina 4