't Lukt haar niet alleen

De aanpak van obesitas is te versnipperd. De beste zorg zou twee jaar lang begeleiding van één zorgverlener zijn.

In Zweden doen ze het beter, zegt hoogleraar Seidell.

Mensen die veel te dik zijn hebben een chronische ziekte die ongeneeslijk is: obesitas. De beste zorg voor hen is allereerst een jaar lang begeleiding, om kilo’s verliezen en om een gezondere leefstijl aan te leren. Gezonder eten, meer bewegen. Daarna is minstens een jaar begeleiding nodig om de nieuwe levenswijze vol te houden. Het doel is 5 tot 10 kilo minder vet, wat de kans op levensbedreigende complicaties van de obesitas vaak al met meer dan 50 procent vermindert. Eén zorgverlener houdt al die tijd in de gaten hoe het de patiënt vergaat.

Zo’n behandeling lukt alleen als de patiënt zelf wil, en zelf het heft in handen neemt. Zonder zelfmanagement – de nieuwe modeterm in de wereld van de chronisch zieken – lukt het niet.

„Van die behandeling is wetenschappelijk bewezen dat hij werkt, maar hij wordt in Nederland eigenlijk nog nergens gegeven.” Zegt hoogleraar voeding en gezondheid Jaap Seidell.

Seidell is voorzitter van het Partnerschap Overgewicht Nederland, die vorige week de Zorgstandaard Obesitas publiceerde. Daarin beschrijven huisartsen, diëtisten, jeugdartsen, patiëntenverenigingen, apothekers, psychologen, verpleegkundigen en internisten hoe de ideale zorg voor obesitaspatiënten eruit ziet.

In totaal hebben 18 organisaties meegeschreven. De zorg aan veel te dikke mensen – kinderen en volwassenen – is dus versnipperd. Niet alleen in Nederland, maar in de hele westerse wereld. De epidemie van overgewicht die 30 jaar geleden opkwam en zich steeds verder over de wereld uitbreidt, heeft nog niet tot gecoördineerde behandeling geleid.

„Versnipperde zorg is funest. Het is duur en niet efficiënt. De mensen die de zorg nodig hebben haken daardoor eerder af.” Zegt Seidell en hij geeft een voorbeeld van een kind met obesitas uit een allochtoon gezin in de Amsterdamse wijk Slotervaart, waar hij onderzoek doet.

„Het karikaturale beeld is dat het obese kind uit een gezin komt met een moeder die slecht Nederlands spreekt, met veel broertjes en zusjes, van wie de ouders ieder twee banen hebben. De huisarts of de jeugdarts verwijst de ouders met hun kind naar het Slotervaartziekenhuis. Daar gaan ze om de zoveel tijd naar de kinderarts en ook de psycholoog, de diëtist, de fysiotherapeut en naar maatschappelijk werk. Dat moet vaak in gezinsverband.”

Om een kind met obesitas succesvol te helpen, moet het hele gezin in behandeling, zegt de Zorgstandaard. Een kind alleen kan nu eenmaal niet besluiten gezonder te eten, meer te bewegen en minder naar tv te kijken.

„De artsen in Slotervaart zijn goede pioniers op obesitasgebied, maar de rauwe werkelijkheid is dat zo’n gezin meestal na drie maanden niet meer meedoet”, zegt Seidell.

„Alle aparte zorgverleners doen hun werk wel goed, maar het is voor dat gezin bijna een dagtaak om die zorg te consumeren. Die aanpak sluit niet aan bij hun behoefte en mogelijkheden. Het is peperduur en niet effectief.”

Hoe kan het anders?

„In Malmö in Zweden werkt een collega van mij al een jaar of tien met gezinscoaches. Die komen bij de mensen thuis, omdat de mensen zelf hebben aangegeven dat ze advies willen hebben over eten, koken en inkopen doen. Ze willen praten over opvoeden, want de kinderen zitten de hele dag achter de computer en de tv. Voor zulke gesprekken heb je niet allemaal verschillende zorgverleners nodig. Een getraind iemand met een gezonde blik volstaat.”

Die Zweden, zegt Seidell, laten zien dat je met een fractie van de kosten effectievere zorg kan leveren. „Na een aantal jaren doet nog 80 procent van die gezinnen mee. En de kinderen zijn kilo’s kwijt. Niet heel veel, maar in ieder geval meer dan in zo’n duur programma.”

Want hoe ging het in Slotervaart?

„Daar deed na een jaar nog ongeveer 30 procent mee. Dat staat in het proefschrift van Mariska van Vliet van het VUMC. Van de kinderen die nog meededen was de helft een beetje afgevallen. De andere helft was dat niet, of een beetje aangekomen. Het Slotervaart heeft zijn werkwijze inmiddels trouwens wel aangepast.”

Belangrijk is dat de obesitaspatiënt moet zeggen aan welke zorg hij behoefte heeft. De zorg is vraaggestuurd, staat er in de standaard.

Seidell: „Maar mensen komen niet met een vraag als ze niet weten dat ze een probleem hebben. Je moet de vraag losmaken. Als een moeder met een kind met een ingegroeide teennagel komt en dat kind is veel te dik en de huisarts behandelt alleen de nagel en zegt verder niks, ook niet als hij weet dat de vader ook dik is en al diabetes heeft, dan vinden wij dat geen goede zorg. De arts moet het bespreekbaar maken.”

En dat doen ze?

„Sommige huisartsen vinden dit een mooie Zorgstandaard, maar zeggen ‘dat gaan wij dus niet doen’. Ze zeggen dat de patiënten het niet willen en niet gemotiveerd zijn. En dat ze de relatie met de patiënt verstoren als ze er toch over beginnen.”