Stedebouwkundige dilemma's in het bronsgroen eikenhout

Architect Jo Coenen voor het station van Luik in 'Tegenlicht' (VPRO)

Als een gebouw kon praten, dan zou het nieuwe TGV-station in Luik uitroepen: „Ik wil stad zijn.” Dat stelde architect en voormalig Rijksbouwmeester Jo Coenen gisteren in de door Chris Kijne geregisseerde aflevering van Tegenlicht, getiteld Krimpen aan de Maas.

Het was een verrassende locatie die Coenen uitzocht om te reflecteren op de toekomst van Zuid-Limburg. Hij meent dat de huidige steden in zijn geboortestreek toch vooral „een agglomeraat van uitgegroeide dorpen” vormen. Voor de toekomst moet je naar Aken en Luik kijken, want de grenzen van Limburg zijn ook maar een toevallig gevolg van het Congres van Wenen in 1815.

Een andere Limburgse architect, Jerome Paumen, beweerde zo ongeveer het tegendeel en leek daarmee dichter te staan bij de ambities van de meerderheid van de Limburgers, die helemaal niet in steden willen wonen. Paumen pleit voor „Bourgondische ingrepen”, die aansluiten bij de historische hang naar ambachtelijkheid, het goede leven en een sterk sociaal gevoel.

Als voorbeeld liet hij een voormalige groenteschuur in het dorp Neerbeek zien, die omgetoverd was in een „verswinkel”. Zou dat dan de toekomst zijn? Dat bij uitstek een postbode van TNT ons rondleidde door de voormalige mijnkolonie Sanderbout bij Sittard, leek een veeg teken van het tegendeel.

Het probleem dat het vierluik van Tegenlicht onder het motto Nederland op de tekentafel aankaart, is nogal ingrijpend en moeilijk oplosbaar. „Men is naarstig op zoek naar een nieuwe identiteit”, zegt Coenen. Maar is een groot deel van Nederland, en zeker PVV-bolwerk Limburg, niet juist verschrikkelijk, gehecht aan de oude identiteit, gekenmerkt door mijnbouw en bronsgroen eikenhout?

Ook al voert de stad Heerlen campagne dat het er „vet cool” is en wordt er gestreefd naar een status als centrum voor duurzame energie, voor stadslucht moet de Limburger toch naar elders of, vooruit, Maastricht, dat in het hele programma merkwaardigerwijs niet voorkwam.

Het Limburgse stedebouwkundige dilemma is een extreme pendant van wat nu in heel Nederland speelt. De zieners van de globalisering willen vooruit marcheren, maar een groot deel van het voetvolk heeft er geen zin meer in en slaat aan het dromen over het gemoedelijke, nauw begrensde en hagelwitte verleden.

Niet voor niets begon de uitzending met blaasmuziek en een idyllisch huis met tuintje, bewoond door demograaf Wim Derks, die zichzelf beschouwt als „de klokkenluider van de krimp”.

Een beetje terugloop van de bevolking vindt hij niet erg, als het een welvaartsfenomeen is. Gezinnen worden kleiner, dat klopt. Maar om nu te zeggen dat er minder Limburgers komen door economische groei, nee, niet echt.