'Nederland heeft te veel ambities in buitenland'

Wat wil Nederland doen in het buitenland? De regering moet kiezen, schrijft de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid vandaag.

Het buitenlandbeleid van Nederland is net een donut, vindt de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Dat wil zeggen: een brede waaier van initiatieven, maar in het midden weinig wat die initiatieven met elkaar verbindt. Het is daarom de hoogste tijd dat buitenlandbeleid aan een kritische beschouwing te onderwerpen, aldus de WRR in het vanmiddag gepresenteerde rapport Aan het buitenland gehecht.

Heeft het kleine Nederland met zijn grote buitenland niet erg veel ambities? Ja, vindt de WRR. De raad pleit voor scherpere keuzes.

De gedachtegang van het adviesorgaan lijkt veel op het nieuwe ontwikkelingshulpbeleid dat staatssecretaris Ben Knapen (CDA) afgelopen vrijdag ontvouwde. Dat is niet verwonderlijk, want de hoofdauteur van het WRR-advies is dezelfde Knapen. Hij werd onlangs tot staatssecretaris van Buitenlandse Zaken benoemd, net toen de drukproeven van zijn rapport gereed waren.

Vandaar ook dat de onlangs benoemde voorzitter van de WRR, André Knottnerus, de presentatie van het rapport op zich heeft genomen. Die is heel stellig: „Nederland moet niet meer de ambitie hebben om op alle terreinen te excelleren en een rol te willen spelen.”

Het klinkt absurd: Nederlands buitenlandbeleid. Wat stellen we nog voor in de wereld?

„Daarom zeggen we ook dat je je als klein land niet op alle terreinen kunt profileren. Als je je echt gaat verdiepen op bepaalde thema’s, kun je een veel groter verschil maken. Daarvoor word je dan in het buitenland erkend.”

En tegelijk moet Nederland voor Europa kiezen. Maar Europa is niet echt populair.

„Je merkt bij de burger aarzeling en onzekerheid over de positie van Nederland in de wereld. Toch blijkt uit onderzoeken dat 70 procent van de Nederlanders de Europese Unie belangrijk vindt. Daarom zeggen wij dat Nederland de kansen van het buitenlandbeleid beter moet benutten. Als het effectiever wordt, zal het draagvlak eveneens toenemen. En waar nu nog de neiging bestaat terughoudend te zijn in de Europese Unie, zou Nederland juist moeten proberen een excellente lidstaat te zijn.”

Betekent een excellente lidstaat binnen de huidige verhoudingen niet vooral een brave lidstaat?

„Dat is niet de boodschap van ons rapport. We moeten actief inspelen op de mogelijkheden die Europa biedt en zorgen dat onze onderwerpen in de Europese gremia worden besproken. Dat bevordert je gezag en zorgt ervoor dat op andere terreinen met jou rekening wordt gehouden.”

Uw rapport suggereert een verandering van de klassieke diplomatie.

„Het zou goed zijn als we op de ambassadeposten anders te werk zouden gaan. Bijvoorbeeld door meer samen te werken met non-gouvernementele organisaties.”

Dat veronderstelt dat dit nu niet gebeurt.

„Nee, dat zeggen we niet. Maar we denken dat je er veel sterker op kunt inzetten.”

Met de specialisaties die de WRR voorstelt, lijkt er minder ruimte voor de klassieke diplomaat, de alleskunner.

„Wij pleiten inderdaad voor verandering. Maar dat kan je ook positief opvatten, als een nieuwe uitdaging waardoor men zich verder kan ontwikkelen.”

Het diplomatenklasje kan dus blijven bestaan?

„Ja, maar er zal wat meer naar het curriculum van de kandidaten moeten worden gekeken.”

    • Mark Kranenburg