Een snorhaar doet wel 400 euro

Het aantal tijgers moet wereldwijd weer omhoog, naar zo'n 6.000 in 2022. Op Sumatra blijkt hoe moeilijk dat wordt. Boswachter Osmantri kent veel stropers, op vrije voeten.

De verwoesting is nog groter dan toen Karmila Parakkasi van het Indonesische Wereldnatuurfonds hier twee maanden geleden was. Aan beide kanten van de weg is het bos veranderd in een zwartgeblakerde vlakte, alleen boomstronken zijn overgebleven. Het ruikt nog naar brand.

De leidster van het tijgeronderzoeksteam kijkt over het desolate landschap. „Moet je je voorstellen dat je een tijger bent en je vindt je woonplaats op deze manier terug.”

Hier in het bos van Bukit Batabuh op het eiland Sumatra installeerde haar team vorig jaar de eerste camera’s om de tijgerpopulatie in kaart te brengen. Het was meteen raak: de camera legde een tijgerin met twee jongen vast: bewijs dat de zeldzame Sumatraanse tijger in dit grensgebied tussen palmolieplantages en bos nog voorkomt.

Maar daarna legde de warmtegevoelige camera iets anders vast: een bulldozer. Terwijl Parakkasi de eerste keer naar deze plek moest lopen, is de fourwheeldrive nu over een nieuwe weg naar boven gehobbeld. Parakkasi: „Als we niets doen wordt dit groter en groter, totdat al het bos weg is.”

Een kort gesprekje met dorpelingen die in de schemering onder een zeiltje zitten, bevestigt haar vermoeden dat de palmolieplantages verder zullen worden uitgebreid. De tijger zal moeten verkassen naar de heuvels, waar minder groen is en minder prooi.

Vorige week vond in St. Petersburg een unieke ‘tijgertop’ plaats. Voor het eerst bogen regeringsleiders zich over de bescherming van het roofdier. Zij legden vast dat de tijgerpopulatie van zo’n 3.200 in 2022 moet zijn verdubbeld. Maar een excursie met tijgerbeschermers Parakkasi en haar collega Osmantri laat zien hoe moeilijk dat wordt in de praktijk.

Parakkasi en Osmantri werken in de provincie Riau, waar het grootste deel van de laatste 400 Sumatraanse tijgers huist. Het is ook een provincie met een uitdijende palmolie-industrie, kolenmijnen, rubberplantages en de twee grootste papierfabrieken van Indonesië. Voor al die bedrijvigheid is land nodig, waardoor het leefgebied van de tijger snel verdwijnt.

Dat Bukit Batabuh beschermd gebied is, lijkt niet uit te maken. Bij een ander zwartgeblakerd boomkerkhof, een paar uur rijden verder, staat zelfs een bord van de stichting die het heeft gekapt. „Op deze plek wordt insya’allah de islamitische kostschool Bea Siswa gebouwd. Bid alstublieft opdat wij zegen en hulp ontvangen.”

„Dit is hun manier van werken”, briest Osmantri, terwijl hij foto’s maakt ter bewijs. Een stichting kapt het bos om, zogenaamd voor een maatschappelijk doel. Maar intussen is het stichtingbestuur omgekocht door een plantagehouder die het land inpikt. „Waarom zou je hier een kostschool bouwen, midden in het bos? Ze bouwen hoogstens een bidhuisje.”

Er zijn te weinig boswachters om dit soort misstanden te voorkomen, vertelt Parakkasi. Zij zouden deze overtreders moeten inrekenen. Zo is er volgens haar een natuurgebied van 180.000 voetbalvelden dat bewaakt wordt door twee boswachters. Het bosbouwdepartement klaagt over te weinig geld, mensen en apparatuur, vertelt ze. Maar volgens haar heeft het meer te maken met slecht management, een gebrek aan controle en corruptie. „Ze hebben meer mensen op kantoor dan in het veld.”

De boswachters doen ook weinig aan de andere grote bedreiging van de tijger: stroperij. Osmantri laat gedetailleerde gegevens van het stropersnetwerk zien, dat hij met zijn anti-stropersteam van het Wereldnatuurfonds in kaart heeft gebracht. Hij kent 43 stropers, die samen gemiddeld zeven tijgers per jaar doden. Het vel belandt bij rijke Indonesiërs, de botten komen voor omgerekend 60 euro per kilo in China terecht, waar er medicinale drankjes van worden gebrouwen. Van het hart tot de nagels tot de tanden: alles wordt verkocht. Een speciale snorhaar kan 400 euro opleveren.

Met zijn informatie kan het stropersnetwerk binnen twee maanden opgerold zijn, denkt Osmantri. Toch zijn er sinds 2005 maar drie stropers opgepakt. Zijn team kan alleen de vallen die ze plaatsen verwijderen, soms veertien per keer. „Het vertraagt de stroperij, maar het stopt het niet”, zegt Parakkasi.

Doordat de tijger steeds verder wordt verdreven, komt hij vaker op het terrein van de mens. Dat merkte Ribut (57) uit Pangkalan Kasai deze maand, toen hij twee van zijn geiten vond met doorgebeten keel. Een jong was verdwenen. Terwijl hij de zwaargewonde geiten klaarmaakte voor de barbecue merkte zijn zoon op dat dit onmogelijk het werk was van een hond: dit was een tijger.

Inmiddels heeft de tijger ook een koe verschalkt en durft Ribut ’s avonds niet meer naar zijn boerderij. Sinds augustus zijn op Sumatra al drie mannen door tijgers opgegeten. In de bosjes in zijn palmolieplantage staat nu een tijgerval om het dier te vangen en te verplaatsen.

Hier in het veld lijkt de tijgertop ver weg. Parakkasi hoopt dat de bemoeienis van hoge functionarissen ervoor kan zorgen dat boswachters eindelijk de wet gaan toepassen. Aan het papierwerk ligt het niet. Een goed project uit 2007 voor redding van de tijger wacht nog steeds op uitvoering. Osmantri: „Er is al een document, maar er wordt niets mee gedaan. Morgen is er weer een nieuw document. Documenten, documenten, wanneer houdt het op?”