De macht van de christen-fundi's

Trouwen in gemeenschap van goederen – nog altijd de norm in Nederland – is een traditie die sinds de zeventiende eeuw wordt gekoesterd. Het zou de belichaming zijn van de ultieme lotsverbondenheid van huwelijkspartners. Onzin natuurlijk: grondeigenaars, kooplieden en andere bezitters trouwen vanouds onder huwelijkse voorwaarden. Bankroetiers hebben doorgaans hun privévermogen op naam van hun huwelijkspartner staan. Met liefde of romantiek heeft het huwelijksrecht nooit iets te maken gehad. Wel met ongelijkheid en economische afhankelijkheid.

De radicale verlichtingsfilosoof Mandeville vroeg driehonderd jaar geleden in een genadeloze kritiek op de traditionele christelijke opvattingen van het huwelijk: „Is niet elke getrouwde vrouw een slaaf van haar man?” De heersende huwelijkswetten waren alleen maar gericht op een dienstbaarheid van vrouwen die elk redelijk denkend mens moet verwerpen.

D66 heeft vorige week opnieuw voorgesteld het trouwen op huwelijkse voorwaarden tot de eerste optie te maken en de gemeenschap van goederen tot een keuzemogelijkheid, het omgekeerde van de huidige situatie. Ook minvermogenden moeten ervan uitgaan dat zij financieel onafhankelijk van elkaar zijn of kunnen worden, dus in principe op eigen benen moeten staan. De wetgever zou daarmee erkennen dat het in deze tijd niet meer vanzelf spreekt dat vrouwen hun baan of carrière opgeven als zij trouwen of kinderen krijgen, maar een eigen inkomen houden. Wie het anders wil, kan naar de notaris gaan, zoals nu mensen die op huwelijkse voorwaarden trouwen naar de notaris moeten.

Op deze suggestie stond een typerend commentaar in Trouw met als kop: „D66 tracht verdergaande individualisering via het huwelijk af te dwingen”. Ieder stapje naar economische onafhankelijkheid van huwelijkspartners stuit in Nederland op ideologische bezwaren. Het duidelijkst werden deze, ook in Trouw, verwoord door rechtsfilosofe Dorien Pessers: „Zo worden vrouwen gewoon de arbeidsmarkt opgejaagd.” Dat is pure demagogie, partners kunnen in vrijheid elke gewenste regeling overeenkomen. Maar inderdaad is de achtergrond van het D66-voorstel dat het als normaal moet worden beschouwd dat vrouwen een eigen inkomen verwerven. Het hoort niet langer de norm te zijn dat vrouwen zich laten onderhouden door een kostwinner in ruil voor huishoudelijke diensten.

Iedere poging om zelfs maar de geringste modernisering van het huwelijksrecht door te voeren, stuit op verbeten weerstand van christelijke zijde. In 2003 diende de regering een wetsvoorstel in om voortaan erfenissen en schenkingen buiten de gemeenschap van goederen te houden, zodat erflaters en schenkers dat niet meer notarieel hoeven te regelen. De christelijke partijen wisten de behandeling van dit voorstel vijf jaar te rekken. Daarna slaagde de ChristenUnie dankzij haar positie in het vorige kabinet erin deze minimale stap naar individualisering in het huwelijksrecht te torpederen.

De VVD sprak daar terecht schande van. Haar woordvoerder in de Eerste Kamer, mr. Ankie Broekers-Knol, bracht vergeefs naar voren dat de algehele gemeenschap van goederen in de huidige tijd niet past. „De algehele gemeenschap van goederen ontkent naar het oordeel van mijn fractie de emancipatie van de vrouw, ontkent dat veel vrouwen tijdens het huwelijk blijven werken, ontkent dat veel vrouwen hun eigen financiën beheren en ontkent dat er veel echtscheidingen zijn waardoor vrouwen gewend zijn – en daartoe ook in staat zijn – zich zelfstandig te redden.” Volgens de VVD-woordvoerster was het de hoogste tijd voor een vervolg op de uit 1956 daterende Lex-Van Oven, waarbij de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw werd afgeschaft.

Maar nu de VVD in de regering zit, blijkt haar staatssecretaris Teeven ineens niet meer zoveel zin te hebben in het voorstel van D66. Het zou maar gedoe geven. Alles zal dus vooralsnog bij het oude blijven: gemeenschap van goederen blijft de norm. Iets wat nergens ter wereld bestaat, op vier achterlijke landen na, waaronder dus Nederland. Hier zit het fundamentalistisch christelijke streven om vrouwen afhankelijk en thuis te houden er dieper in dan het islamitische streven haar ook nog een hoofddoek om te doen.

De VVD mag uitleggen waarom het voorstel van D66 nu ineens niet meer urgent is. En dan kunnen haar bewindslieden in één moeite door vertellen waar de maatregelen blijven om uitvoering te geven aan het arrest van de Hoge Raad, waarin de Staat wordt verplicht een einde te maken aan de discriminatie van vrouwen door de SGP. Die maatregelen moeten er volgens de Hoge Raad ‘daadwerkelijk’ toe leiden dat de SGP het passief kiesrecht aan vrouwen toekent. Daarvoor zal, als de SGP zelf niets doet, de kieswet moeten worden veranderd. Het centraal stembureau zal voortaan lijsten moeten weigeren als vrouwen bij de selectie zijn uitgesloten. De Staat moet de schending van het VN-vrouwenverdrag ongedaan maken en de onrechtmatige toestand beëindigen dat een partij vrouwen het passief kiesrecht ontzegt.

Ik voorspel dat de maatregelen tegen de SGP ten minste zullen uitblijven tot na de verkiezingen van de Provinciale Staten en de daarop volgende verkiezing van de Eerste Kamer. Ik vrees namelijk dat het kabinet-Rutte gedoogsteun van de SGP belangrijker vindt dan bestrijding van discriminatie.