Word simpeler

Draag geen juwelen voor vijf uur ’s middags. Draag nooit een tiara in een hotel. Ga tijdens een weekendpartijtje niet naar bed met de gastvrouw, tenzij dat werkelijk nodig en welhaast onvermijdelijk is. Dat wil zeggen, mocht u dergelijke plannen voelen opkomen, dan raadt de Duke of Bedford ze u in zijn Book of Snobs nadrukkelijk af.

Het voordeel van etiquetteregels, zei een vooraanstaand journalist onlangs tegen me, is het voordeel van de eenvoud. Ze zijn simpel te onthouden en makkelijk op te volgen. Het is bij gebrek aan zulke regels dat de moderne mens al gauw is overgeleverd aan morele abstracties en vage juridisering, waardoor hij de vanzelfsprekende greep op het eigen gedrag verliest.

Thuisgekomen boog ik me daarom ijverig over de bovenstaande drie regels – omdat ik die het beste ken, en omdat ik met de hand op het hart kan beloven dat ik ze nog nooit van mijn leven heb gebroken. In de archieven van de Engelse krant The Telegraph las ik dat mensen überhaupt steeds minder vaak tiara’s dragen in hotels, een ontwikkeling die mogelijk samenhangt met het moderne gebruik van shampoo, waardoor ieder ornament uit je haar valt. Dit is, zegt de krant, „slightly detrimental to the wearing of tiaras”.

Geloof me, ik zou er uren over kunnen doorgaan, maar omdat we ook nog iets intellectueels moeten doen vandaag, stuur ik mijn gedachten in de richting van het concrete en het gebrek daaraan in onze tijd. Niet alleen leven we in een tijdperk van vage juridisering en virtuele communicatie, een tijdperk van grote woorden en onduidelijke begrippen dus, de moderne mens verliest ook het contact met de werkelijkheid doordat hij niet langer praat, maar opinieert.

In een essay over politiek en taal – Politics and the English language– schreef George Orwell al in 1946 dat de moderne taal zich verwijderde van het concrete. „The whole tendency of modern prose is away from concreteness.” Vooral in het schrijven over maatschappij en politiek zag hij een grote onverschilligheid ten opzichte van betekenis. Schrijvers hadden geen beeld voor ogen om daar dan vervolgens de woorden bij te zoeken, maar stelden teksten samen uit rondzingende, holle frasen, die aan elkaar werden geknutseld als een geprefabriceerd kippenhok.

Het is duidelijk, zei Orwell, dat verval van de taal allereerst politieke en economische oorzaken heeft; aan de gebrekkige talenten van de individuele schrijvers alleen kan het niet liggen. De situatie raakt daarna in een vicieuze cirkel wanneer het verval van de taal leidt tot beroering in de politiek. Om uit de cirkel te breken, kan het raadzaam zijn te beginnen bij de taal. „Als je het Engels versimpelt, raak je bevrijd van de ergste dwaasheden van de orthodoxie.”

Versimpelen dus. Kiezen voor woorden als juweel en shampoo, die je een beeld voor ogen toveren; kiezen voor regels die concrete gedragingen beschrijven, in plaats van die ondoordringbare lagen geleuter waaraan alle betekenis is onttrokken. Het was voor Orwell vooral een poging zich teweer te stellen tegen de neiging van commentatoren zichzelf ongrijpbaar te maken. Door woorden te gebruiken die niets betekenen – zoals ‘humaan’ of ‘natuurlijk’ – of woorden die slechts claimen dat de gebruiker ervan een goed mens is.

„Beweringen als ‘Maarschalk Pétain was een echte patriot’, ‘de Sovjetpers is de meest vrije pers in de wereld’ en ‘de katholieke kerk is tegen vervolging’ worden vrijwel altijd gedaan met de bedoeling te bedriegen. Andere woorden die in diverse betekenissen worden gebruikt, meestal min of meer onbetrouwbaar, zijn: klasse, totalitair, wetenschap, progressief, reactionair, bourgeois en gelijkheid.”

Deze oproep tot versimpeling schoot me weer te binnen toen ik vorige week in de krant een artikel las van socioloog Richard Sennett over taal en het schrijven als ambacht. Ook hij pleitte voor prikkelende details en concrete verhalen, maar anders dan Orwell mopperde hij nu juist op sociale wetenschappers die de neiging hadden zaken te versimpelen. Dat was ook wel begrijpelijk, want in onze tijd staat alles wat naar eenvoud zweemt, al snel onder de verdenking sloganesk en halfbarbaars te zijn.

Het gaat er dan ook niet om de zaken te versimpelen, legde ik Sennett uit vanachter mijn krant. Het gaat er zelfs niet om de taal te versimpelen. Het allervoornaamste is jezelf te versimpelen. Wanneer je stopt jezelf op te blazen met woorden die je intellect groter doen lijken dan het werkelijk is, houd je alle geestelijke ruimte over voor de complexiteit van de werkelijkheid. Niet onze wereld moet kleiner – wijzelf moeten kleiner. Dat maakt onze teksten waarachtiger en leuker.

„Wil je alsjeblieft niet ‘leuk’ zeggen?” sprak een filosoof me een dag later streng toe. „Dat kan echt niet, hoor, volgens de etiquette.” Maar, mopperde ik, één keertje mag ik toch wel zondigen? Als het werkelijk nodig en welhaast onvermijdelijk is? Kom op nou, zei ik. Leef een beetje.