Voor en na WikiLeaks

Het uitlekken van diplomatieke post kan tot oorlog leiden. Dat gebeurde bijvoorbeeld met de Emser Depesche in 1870. Vanuit kuuroord Bad Ems deed een Pruisische gezant verslag van besprekingen met de Franse ambassadeur over de Spaanse troon. Kanselier Bismarck maakte het telegram openbaar. Maar eerst redigeerde hij de tekst zo dat het leek of Frankrijk de opkomende grootmacht Pruisen een ultimatum had gesteld. Zo kreeg Bismarck het alibi voor een oorlog waarmee hij de basis legde voor het Duitse Rijk dat in 1945 te gronde ging.

Het ligt op het eerste gezicht niet voor de hand dat het zover komt met de 250.000 Amerikaanse diplomatieke telegrammen die de klokkenluiderssite WikiLeaks via The New York Times, The Guardian, Der Spiegel, Le Monde en El Pais heeft verspreid.

Slechts 10 procent van de documenten heeft een predicaat dat een of andere vorm van geheimhouding eist. Ruim 225.000 berichten zijn slechts vertrouwelijk of nog minder. Vaak gaat het om niet meer dan geruchten over of kwalificaties van bevriende en gevreesde politici die vaak allang een publiek geheim zijn.

Of er in de ongeordende grabbelton van Wikileaks ook echte nieuwe inzichten zitten, moet nog blijken. Het is de taak van de journalistiek om die context en verdieping te bieden. De kranten die met WikiLeaks werken, hebben zich daartoe verplicht in hun redactionele verantwoording. Bovendien hebben ze tijdig bij de autoriteiten geverifieerd of hun stukken informatie bevatten die de Staat of personen in gevaar brengen.

Daarmee is de zaak niet afgedaan. Media die uit WikiLeaks putten, kunnen hun verantwoordelijkheid niet alleen via dit wederhoor afdekken. In de kern is er sprake van een vorm van heling van informatie die is gestolen: mogelijk door een 22-jarige inlichtingensoldaat. Het publieke belang van publicatie moet dus evident zijn.

Omgekeerd moeten regeringen onderkennen dat de oude methodes van de diplomatie door de informatietechnologie zijn achterhaald. Het interne ict-netwerk, waar WikiLeaks zijn materiaal vandaan heeft, was toegankelijk voor 2,5 tot 3 miljoen Amerikaanse overheidsdienaren. En de usb-stick waarop de gewraakte data staan, heeft niet meer dan 10 euro gekost.

De diplomatieke post is zo een dalend cultuurgoed geworden. Dat is te keren door stringentere controle. Maar dat ondermijnt weer de kwaliteit van de overheidsdiensten. Een apparaat dat voor elk bericht parafen nodig heeft, is niet slagvaardig.

Hoe pijnlijk de onthullingen ook zijn, in dit geval voor de VS, ze sporen wel aan tot een genuanceerdere communicatie binnen de ambtelijke diensten. Niet elk kattebelletje van een diplomaat is vertrouwelijk. Als dit soort informatie bekend wordt, moet de overheid niet te moeilijk doen. Maar wat echt staatsgeheim dient te blijven, moet beter worden beschermd: technisch én juridisch.