Spinazietegels

Buiten dwarrelen sneeuwvlokken richtingloos voor het raam. Koud is het, deze laatste zaterdag van november. De jeugd van Rotterdam holt vast met wanten aan rond op de sportvelden.

Wezenloos, ik denk aan warme kindervingers terwijl mijn vader gestorven is.

Op zijn nachtkastje ligt een puzzelboekje. In de laatste dagen van zijn leven heeft hij nog een paar pagina’s afgekregen. Bij ‘gerecht’ heeft hij ‘krabsalade’ ingevuld. Knap, met zoveel mist in zijn hoofd. Ik zoek naar ingevulde woorden die me een duwtje kunnen geven bij het schrijven van deze sportcolumn. Woorden als bal, veld of stick. Of simpelweg voet, voor mijn part, maar ik vind niets.

Mijn vader was geen man van de sport.

Hij werkte jarenlang als diepvriesgroothandelaar in Rotterdam. Misschien dat zijn vrachtwagenchauffeurs op maandagochtend de stand in de eredivisie doornamen. Maar hij? Nee, mijn vader begon uit zichzelf nooit over voetbal.

Ik aai zijn levenloze handen die op het laken liggen. Werkhanden, met brede, korte vingers. Ik herinner me hoe ze doos na doos pakten van de rollerband in de vriescel. Min 18 graden Celsius. Mijn vader gaf geen kik bij kou. Hij stopte met zijn blote handen duizenden bevroren spinazietegels, kroketten, kippen en ijsjes in de cel.

Hij genoot van opstapelen. Dát was zijn sport.

Moe was hij nooit. Of laat ik het zo zeggen; hij zei nooit dat hij moe was. Als wij thuis met mijn moeder televisie keken deed mijn vader vaak een hazenslaapje op de bank. Ik weet zelfs niet zeker of hij wakker was toen Ove Kindvall laat op de avond Feyenoord in 1970 de Europacup bezorgde met een lobje.

Bij schaatskampioenschappen op televisie liet hij zich de namen smaken van buitenlandse schaatsers. Hij vond ze kennelijk lekker klinken. Terwijl we zaten te wachten op de ritten van de Hollandse helden riep hij bij het zien van een kleine Russische sprinter: „Valery Kaplan!” En bij de 10 kilometer werd je opgeschrikt door het hard uitgesproken ‘Per Willy Guttormsen!’.

Zelf deed mijn vader niet of nauwelijks aan sport. Als hij aan iets meedeed, was het voor de sfeer. In korte broek met gewone kousen in gewone schoenen mepte hij hard tegen het veertje tijdens een potje badminton. Ik herinner me geen backhand, wel stramme passen met zijn witte kuiten. En bij een baantje trekken in een zwembad waren we altijd blij als hij de overkant haalde.

Het enige dat hij voor de sport deed was dozen ijs en kroketten bezorgen aan voetbalkantines. In drukke weekeinden reed hij met de privéwagen langs de clubs. Handel ging voor alles. De bevroren spullen lagen onder een deken in de achterbak. Kou moest je warm toedekken, leerde ik.

Als de Tour de France langskwam in de buurt van de camping reden we met onze BMW 2000 de steile Tourmalet op. Onder de klep kwam rook vandaan. Mijn vader stuurde naar de kant: een kokende motor. Terwijl Joop en Eddy voorbij reden hing hij met zijn hoofd onder de motorkap.

Zonder noemenswaardig te sporten kom je prima het leven door. Mijn vader is er mooi 83 mee geworden. Een leven zonder rekken en strekken, zonder pagina 801 van teletekst, zonder tijdwaarneming op het stuur tijdens een fietstocht.

Echt, een mens kan goed zonder sport.

Mijn sterke vader heeft het bewezen.

Wilfried de Jong