FC Barcelona moet boeten voor geldverkwisting

Vanavond treffen Barcelona en Real Madrid elkaar. Een duel tussen clubs die de helft van de tv-inkomsten krijgen in het noodlijdende Spaanse voetbal.

Als FC Barcelona vanavond aftrapt tegen rivaal Real Madrid zal Salvador Balsells anders dan voorgaande jaren niet in Nou Camp op de tribune zitten. Balsells (62) is al 49 jaar ‘socio’ van de Catalaanse club. Als voorzitter van een koepel van tientallen fanclubs in Oost-Barcelona zit hij bovendien in de raad van advies van Barça. Dankzij die erebaan kon hij vorige seizoenen altijd gratis naar thuiswedstrijden.

Nu Barcelona streng bezuinigt, moet ook Balsells een kaartje kopen. Voor de wedstrijd van vanavond zou dit 150 euro kosten. „Dat vond ik te veel, zelfs voor een clásico”, vertelt Balsells terwijl hij een rondleiding geeft door het clubhuis in L’Hospitalet de Llobregat, een voorstad van Barcelona. Hier volgt hij vanavond in een zaaltje met tweehonderd man de wedstrijd op een groot scherm.

Barcelona is aan het bezuinigen geslagen onder de nieuwe voorzitter Sandro Rosell. Toen hij in juli aantrad liet hij de boekhouding napluizen die zijn voorganger Joan Laporta (zie inzet) had gevoerd. Daaruit bleek dat Barcelona in het seizoen 2009/10 geen 11 miljoen euro winst had gemaakt, maar 77,1 miljoen verlies.

De sportieve prestaties waren de laatste jaren onder Laporta uitstekend. Maar hij bleek intussen de uitgaven te hebben laten exploderen. In de boekhouding werd dit gecamoufleerd door alvast inkomsten in te boeken (uit vastgoed en tv-rechten) die de club pas in de komende jaren zal opstrijken.

Fanclubvoorman Balsells vindt het uit clubbelang gerechtvaardigd dat hij nu moet betalen voor zijn kaartje. Bovendien hebben ook de clubleiding en andere bobo’s de decadente levensstijl afgezworen die onder Laporta gewoon werd. „Je zag de gekste dingen. Ze vlogen met een privéjet naar buitenlandse wedstrijden, waar ze – met hun vrouwen – konden overnachten in vijfsterrenhotels. Of er waren verre reizen naar Abu Dhabi en Oezbekistan.” Als Balsells tegenwoordig in de skyboxen komt, ziet hij er geen bacchanalen met veel cava en chique hapjes.

Volgens sporteconoom José Maria Gay is het voor Barcelona gemakkelijk orde op zaken stellen. „De uitgaven waren exorbitant gestegen, daar valt veel te snijden. Ondertussen genereren ze genoeg inkomsten om binnen drie, vier jaar uit de problemen te zijn.” Ook al heeft Barcelona nu een negatief eigen vermogen, het staat het er gezonder voor dan Real Madrid, dat een positief eigen vermogen heeft. Gay: „Cijfers zeggen niet alles. Zo is Real Madrid nu de grootste club ter wereld, met een balanstotaal van 880 miljoen euro. Maar dat komt vooral omdat ze altijd veel investeren in grote namen. Dit verhoogt de activa, maar voor al die ‘galactische’ aankopen gaan ze ook elke keer schulden aan.” Barcelona daarentegen leunt sterker op de eigen opleiding. „Dat is op termijn een gezondere bedrijfsvoering.”

Volgens Gay zie je deze verschillende stijlen ook terug op het veld. „Real Madrid is een team van huurlingen. Ze spelen efficiënt, om betaald te worden. Barcelona heeft een natuurlijke, speelse stijl. Als Ronaldo scoort, steekt hij zijn borst naar voren: ‘Hier ben ik voor gehaald’. Als Messi scoort viert hij dat met zijn teamgenoten.”

Beide clubs staan sterk genoeg om uit de problemen te blijven, stelt Gay. „Ze genereren genoeg cashflow en hun merken zijn internationaal zo populair, dat ze eigenlijk niet failliet kunnen gaan.”

Dat geldt niet voor de overige achttien clubs in de liga. Om te voorkomen dat Real of Barça hun beste spelers wegkopen en het verschil met die grote twee nog verder oploopt, zijn lagergeplaatste clubs de afgelopen jaren steeds hogere salarissen gaan betalen. Tegelijkertijd hebben zij geen toereikende inkomsten, omdat televisierechten in Spanje niet centraal, maar per club en per wedstrijd verkocht worden. Hierdoor slokken Real en Barcelona ruim de helft van alle tv-inkomsten op.

Zes clubs verzetten zich nadrukkelijk tegen de verdeling van de televisie-inkomsten. Barcelona en Real ontvangen nu ieder zo’n 150 miljoen. De andere clubs voelen zich sterk benadeeld. Zo zei de voorzitter van Sevilla: „Ik kan mijn supporters niet verkopen dat voor ons de troostprijs het maximaal haalbare is.”

Alle clubs in de Primera Division zijn – op Real na – technisch gesproken failliet. Deze zomer hadden ze samen 1,5 miljard euro schulden, voornamelijk bij lokale en regionale spaarbanken. Deze cajas de ahorros staan sterk onder invloed van de gemeentelijke of regionale politiek. Daar bestaat grote bereidheid de clubs overeind te houden: geen enkele politicus die herkozen wil worden, zal de lokale voetbalclub een lening weigeren.

Maar dezelfde cajas zijn ook, veel sterker dan ‘gewone’ banken, geraakt door het uiteenspatten van de vastgoedzeepbel in Spanje. Sinds het uitbreken van de kredietcrisis wordt het voor hen steeds moeilijker de aflopende leningen van de clubs te herfinancieren. Sommige clubs betalen al regelmatig maanden geen spelerssalarissen uit.

En nu een financiële storm door de eurozone raast, dreigt krediet in Spanje alleen maar schaarser te worden. Uiteindelijk, denkt Gay, zal de regering daarom het Spaanse voetbal moeten redden – al heeft ook zij momenteel geen geld. Gay lachend: „Als Europa en het Internationaal Monetair Fonds ons straks met hun noodfonds komen redden, moet de regering daaruit gewoon 1,5 miljard extra naar de cajas doorsluizen. Om het voetbal mee te redden.”

Tot het zover is, kan het voorkomen dat de banken huiseigenaren met betalingsproblemen uit hun woning zetten, maar ze tegelijkertijd geld blijven lenen aan clubs die spelers miljoenensalarissen uitkeren. Gay: „Daar zit inderdaad geen economische logica achter.”