Een CDA-congres vol onvrede

Het CDA wil verder, na het verkiezingsverlies en een moeilijke formatie. Maar op het partijcongres is er nog steeds oud zeer, en wat er anders moet, is niet zeker.

Je ziet er niks van. CDA’ers die vinden dat hun partij nooit de politieke samenwerking met de anti-islamitische PVV had moeten aangaan, zien er net zo uit als voorstanders van de gedoogsteun. Het zijn in hoofdzaak mannen, blank. Ze dragen een pak met een overhemd, meestal verticaal gestreept. En ze hebben Hollandse namen. Tjitte, Jeroen, Paul of Jan. Of Piet Jansen. „Ik moest mezelf er wel toe zetten om te komen.”

Het congres is deze zaterdag bedoeld om een vervelende periode af te sluiten, met het grootste verlies dat het CDA ooit leed tijdens verkiezingen en een ternauwernood afgewend partijschisma. Het CDA wil nu met opgeheven hoofd verder. De partij moet weer, zoals de kopstukken tijdens het congres niet moe worden te prediken, „bouwen”, „de rijen sluiten” of in ieder geval „respectvol met elkaar omgaan”.

Makkelijker gezegd dan gedaan. Jeroen Alting von Geusau was ooit kandidaat voor het partijvoorzitterschap. Hij was tegenstander van de gedoogconstructie.

De band met de partij wil hij niet doorknippen, hij blijft fan van het CDA. Maar toch. „Iedereen hier is zoekende”, zegt hij. „Waar stáán we nou als partij?”

Wie het weet, mag het zeggen. De sfeer in het zalencomplex naast de ringweg rond Utrecht doet denken aan het eerste etentje buiten de deur van een echtpaar na een ongekend fikse ruzie. Op het eerste gezicht is het beschaafd. Maar luister even mee met de groepjes die de arriverende ministers, Kamerleden of de vorige partijvoorzitter becommentariëren. „Kijk hem eens”, klinkt het misprijzend, „die heeft heel wat op zijn geweten.” Deze spanning tussen de voorzichtig zalvende, geforceerd positieve bovenstroom en een sceptisch mopperende onderstroom is het hele congres lang merkbaar.

Eén woord komt telkens terug bij de congresgangers: ze hebben zich zo lang „applausmachine” gevoeld. Die hapert nu. Vicepremier Maxime Verhagen loodste het CDA over de interne tegenstand het kabinet binnen. In zijn toespraak concentreert hij zich op de opgewekte bovenstroom. „Wat hebben wij het als CDA toch goed voor elkaar”, begint hij. „Wij zijn een partij waar we het sámen willen doen.” De optimistische woorden waarin Verhagen zich uitput worden niet met overdonderend enthousiasme ontvangen.

Over de inhoudelijke boodschap mag twijfel zijn, het congres neemt wel moties aan om partijprocedures te wijzigen. Zo wil het congres dat CDA-politici van onbesproken gedrag zijn. Iemand die partijvoorzitter wil zijn, mag niet de intentie hebben tijdens zijn termijn in het kabinet te komen. Kabinetsleden moeten minstens een jaar partijlid zijn. En prominenten moeten inhoudelijk betrokken blijven bij de koers van de partij.

Het is een publiek geheim dat veel van diezelfde prominenten zijn weggebleven uit onvrede over de koers van de partij, zoals de voormalige ministers Ernst Hirsch Ballin en Ab Klink.

Ook hier doet de organisatie haar best de scheurtjes te verbergen. Lees in de veertien pagina’s van het voor intern gebruik bedoelde draaiboek: „Stoelen blanco reserveren (zodat niet te zien is voor derden wie er niet aanwezig is, maar wel verwacht werd).”