De hang- en sluitwerker

Omdat een van mijn ramen bij het openen steeds met een aanstellerig zuchtje uit de sponning valt, komt er iemand van een hang- en sluitwerkbedrijf. Dat vind ik een intrigerende naam voor een beroepsgroep: hang- en sluitwerkers. Het heeft iets van een foute openingszin, eentje die met een vette, veelbetekenende grijns gebracht moet worden: „Dag dames, ik ben van het hang- en sluitwerk. Valt hier misschien nog iets te... kitten?”

Op de brief stond dat ik de monteur vrijdag tussen 7.00 en 15.00 uur kon verwachten. Dat betekende dus dat ik zo’n acht uur gegijzeld zou worden door een onzichtbaar persoon. Acht uur waarin je eigenlijk ieder moment monteurontvangklaar zou moeten zijn: aangekleed, opgewekt, met een naar Monsieur Propre geurend huis, zonder ‘ik weet wel dat deze mandarijn inmiddels een soort stoffig groen vachtje heeft gekregen, maar ik weet niet, ik mag hem gewoon wel’ of rondslingerende slipjes.

Wachten op een monteur gaat altijd zo: je zet je wekker en staat tegen elke gezonde gedachte in om kwart voor zeven op, om een verbeten gevecht te leveren tegen slaapogen en opflakkerende misantropie. Vervolgens ontbijt je met kartonnen kontjes brood want dat is het enige dat je in huis hebt en je kan niet even naar de winkel. Gedurende de dag zit je lamlendig voor de computer terwijl je duizend dingen te binnen schieten die je nog moet doen, maar die jammer genoeg allemaal iets te maken hebben met ‘buiten’ en ‘de bagelwinkel op de hoek’.

Door de onvoorziene vrije tijd word je opeens besprongen door een onzalige gedachte als ‘misschien kan ik nu wel even dat chaotische fotoalbum Vakantie Kreta 2004 op orde maken’. Zodat je na anderhalf uur tientallen foto’s over het tafelblad verspreid hebt liggen, slordiger dan ooit, terwijl je zelf mijmert over verse spinazietaart, scootertjes en gebruinde tenen. Net als je ijverig de reeks strandnaaktfoto’s op volgorde van beschaming aan het leggen bent, gaat uiteraard de bel.

De vrijdag dat de monteur komt, word ik om zeven uur wakker van mijn telefoon. „Ja?” kraak ik. „Hallo daar! Ik ben Peter van gmgmregga!” Zijn bedrijfsnaam verstaan vraagt te veel van mijn net ontwaakte hersenen, maar zijn joviale toon is niet moeilijk te herleiden: de monteur is er. En hij staat al voor de deur. De uren wachten worden me gelukkig bespaard, maar als ik koukleumend naar beneden loop, vraag ik me toch af: wat zijn de kansen dat hij dan ook nog eens echt precies om zeven uur komt?

Als ik opendoe neemt de monteur me even op en zegt dan grijnzend: „Ik dacht aan je stem te horen dat je een hele oude vrouw was.” Aha. De openingszin van een hang- en sluitwerker.

Renske de Greef