'Vader had de moed opgegeven'

Aan het ontbijt vertelde de vader van Ruurd van der Heide (1930) dat moeder niet meer terug zou komen. ‘Daarna praatte hij er niet meer over.’

‘In 1929 werd mijn vader ontslagen bij de Rotterdamsche Bank. Door de crisis kon hij geen ander werk vinden. Mijn ouders woonden in Den Haag, mijn zus Nel was al geboren. De broer van mijn vader wist dat er in Arnhem huizen te huur stonden, en dat daar veel pensiongasten waren: overgeplaatste officieren van het garnizoen die een slaapplaats nodig hadden, en Indiëgangers met verlof die zich graag goed lieten verzorgen. Arnhem lag gunstig, en het was mooi en bosrijk. Mijn moeder was een tijdje gouvernante in Frankrijk geweest, dus zij kende de Franse keuken.

„Mijn ouders verhuisden naar Arnhem en openden een pension in een groot pand in de Parkstraat. Ze betrokken zelf het souterrain en richtten boven twaalf kamers voor gasten in. Mijn moeder kookte, dienstmeisjes brachten het eten rond. Het bracht genoeg op om van te leven.

„Een van de eerste gasten was mevrouw Minderman, een weduwe die zelf een groot hotel beheerd had. Zij bleef wel acht jaar. Ze adviseerde mijn moeder over van alles, en ik mocht elke ochtend in haar suite komen spelen. Ik reed mijn speelgoedtrein over de patronen op het tapijt: één keer langs de voeten van mevrouw Minderman betekende één bonbon voor mij.

„Omdat we altijd gasten hadden, waren wij anders dan andere kinderen. We moesten beleefd zijn, netjes gekleed, en we mochten niet op straat spelen, alleen in de tuin achter het huis. We waren meer gewend om met volwassenen om te gaan dan met andere kinderen. Op school had ik nooit problemen met de onderwijzers, maar klasgenootjes plaagden me weleens. Ik stond daar boven.

„Toen ik zeven was, werd mijn moeder opeens ziek. Ze lag twee dagen op bed en moest daarna naar het ziekenhuis. Ze had pleuritus opgelopen, borstvliesontsteking. Er waren nog geen medicijnen tegen. Mijn vader werd ’s nachts opgebeld en liep toen snikkend over de gang; ik hoorde dat, want mijn bed stond dichtbij de telefoon. Aan het ontbijt vertelde mijn vader dat mijn moeder niet meer terug zou komen. Hij zei het één keer; daarna praatte hij er niet meer over. Bettie en ik waren niet bij de begrafenis, wij logeerden bij een tante.

„Het pension moest doordraaien. De huishoudster kookte voortaan. Mijn vader deed de inkopen, pookte de kachels uit en hield toezicht op het personeel, maar hij was teneergeslagen. Op woensdagmiddag maakte hij zich vrij om met ons te gaan wandelen. Weer of geen weer, we gingen. Hij leerde ons de namen van bomen en wees de weg; ik ken de bossen bij Arnhem nog steeds op mijn duimpje. Soms mocht ik zelf pensiongasten door het bos begeleiden.

„Vlak voor de oorlog kregen we een gast uit Groningen, juffrouw Jansonius. Ze werkte als secretaresse voor een fietsenfabriek. Na de Duitse inval wilde haar familie dat ze terugkwam. Mijn vader reisde naar Groningen, en zei toen hij weer thuis was: ‘Ik ga met juffrouw Jansonius trouwen.’ Hij was om haar hand gaan vragen.

„Bettie en ik waren eerst tegen juffrouw Jansonius gekant. De huishoudster had ons zitten opstoken, want die voelde dat ze haar baan ging verliezen. Nel heeft dat in goede banen weten te leiden: zij stond er vanaf het begin op dat we juffrouw Jansonius ‘moeder’ noemden. Dat werd ze ook wel, een moeder. Niet dat ze ons knuffelde of kuste, maar ze zorgde goed voor ons.

„De oorlog kwamen we aanvankelijk goed door. Ik ging gewoon naar school. Maar bij de slag om Arnhem moesten we vluchten, net als iedereen. We kwamen in Sneek terecht, bij een broer van mijn tweede moeder. Daar werd het te vol. Nel en ik moesten naar een ander huis, waar al vier onderduikers zaten. Ik was niet bang; alleen toen Duitse soldaten het huis binnenvielen en ik moest vertellen waar mijn vader was, toen wel. Ik gaf eerlijk antwoord, zoals mijn vader me had opgedragen. Hij werd gearresteerd, maar kwam na een paar dagen weer vrij.

„Na de bevrijding gingen mijn vader en ik liftend naar Arnhem terug om te kijken. Ons huis stond nog overeind, maar de ramen en het dak waren kapot. Binnen was het een modderige, vieze rommel. De meubels waren geroofd. Toch hebben we het pension heropend. We boden werklieden een matras op de grond aan. Mijn tweede moeder kookte op een potkacheltje in de tuin, ik hakte hout. Mijn vader deed niet zoveel meer. Hij had de moed een beetje opgegeven.”

Hij fronst; van poseren heeft hij nooit gehouden. Hij vertelt liever. Ze wonen hier al jaren, op de grens tussen dorp en bos. Om de hoek van de straat is een ooievaarsnest.

Heeft u ook een interessante familiefoto?Mail naar weekblad@nrc.nl