Snoep en slikkerdemik

Het is stil geworden rond Sinterklaas. Toen dit feest ten onder dreigde te gaan in het geweld van het zwaar gepromote kerstfeest verschenen er voortdurend studies over de herkomst en inrichting van de traditie. Met uitleg over typische gebruiken en attributen. Nu Sinterklaas door de tv is gered is dat voorbij. Jammer, want er zijn nog veel kleinigheden over die niet zomaar te begrijpen zijn.

Vorige week kwam er een ter sprake in De Kleine Wetenschap. Het ging om de vraag waarom er in Nederland zo de nadruk op wordt gelegd dat Sint Nicolaas uit Spanje komt terwijl het thuisland van de sinterklazen verderop in Europa, tot in Rusland toe, altijd onvermeld blijft. Meestal wordt in dit verband gewezen op de dichterlijke vrijheid die onderwijzer Jan Schenkman in 1850 nam in zijn lied ‘Zie ginds komt de stoomboot’. Die boot komt uit Spanje weer aan, en Turkije en Italië hadden niet makkelijk in het ritme gepast, maar veel andere landen wel. Vaak wordt over het hoofd gezien dat er nòg een oud versje is waarin Spanje wordt genoemd, dat is het ‘Sinterklaas goed heilig man, trek je beste tabberd aan’. Hier lijkt ‘Spanje’ te moeten rijmen op ‘oranje’, maar het kan ook andersom zijn. Kenners menen dat het ongedateerde versje minder oud is dan het stoombootvers.

Juist afgelopen week viel het oog op het gedicht ‘De Sint-Nikolaasavond’ van de predikant P.A. de Génestet. Ook daarin komt Sinterklaas al uit Spanje. Dat was een jaar vóór Schenkman ermee kwam, als de geaccepteerde datering van het gedicht (1849) juist is. De Génestet drijft in het gedicht de spot met de lintjes die koning Willem II altijd op 6 december uitreikte. Hij was toevallig op die dag jarig. In vers LXI beschrijft De Génestet de klassieke vragen die aan Sinterklaas gesteld worden als deze eenmaal in de huiskamer tussen ouders en kinderen heeft plaatsgenomen. Of er wel gezorgd is voor zijn paard en of hij het niet koud heeft, nu hij net uit Spanje komt. Het zijn de vragen uit uw kinderdagen, schrijft De Génestet erbij.

Spanje was dus al langer in beeld. Misschien heeft het te maken met sinaasappelen en mandarijnen. De sinterklaas-mythologie is helaas het terrein van amateur volkskundigen die vaak meer chaos scheppen dan ze oplossen. Ooit zal iemand het rommeltje ‘wilde gissingen en ideologische verdraaiingen’ wel opruimen, voorlopig zitten we nog met halve waarheden, hele verzinsels en onbewezen stellingen. Zo wordt beweerd dat het gebruik om als sinterklaas verklede volwassenen op 5 december langs de deur te sturen pas halverwege de negentiende eeuw is ontstaan. En pas in 1934 zou Sinterklaas voor het eerst officieel in Amsterdam zijn ingehaald. Maar het gedicht van De Génestet wekt de indruk dat het huisbezoek van Sinterklaas in 1849 al gevestigde traditie was onder de gegoede burgerij. Ook schijnt er al sprake te zijn van een officiële stedelijke verwelkoming. Vers X: ‘’t Was, hoorders, Sint-Niklaas. De trouwe bisschop had zijn aankomst reeds gemeld aan Y- en Amstelstad, en keur van industrie en kunst vooruitgezonden.’ Enz.

De wikipedia ‘Sinterklaas’ noteert dat een kinderboek uit 1783 de oudste bron is waarin – misprijzend – een openbaar optreden van een verklede sinterklaas wordt beschreven. De man rijdt op een wit paard door Brabantse steden, en de auteur heeft er geen goed woord voor over. Bedenk: Sint Nicolaas is een katholieke heilige die tussen 1550 en 1650 zwaar onder vuur lag van de Reformatie. De ‘paapse nepheilige’ met zijn ‘snoep en slikkerdemik’ heeft het ternauwernood gered.

Het sinterklaasgebeuren staat bol van gebruiken en attributen waarvan de herkomst onduidelijk is. De zak, de roe, de schoorsteen, het rijden op het dak, het schoentje dat gevuld moet worden: ze zijn stuk voor stuk Freudiaans te duiden of in verband te brengen met Germaanse gebruiken (wat ruwweg op hetzelfde neerkomt) maar of dat zomaar mag is de vraag.

Dat de verklede sinterklaas zich liet vergezellen van een knecht zou pas in 1848 voor het eerst zijn vermeld. De handgekleurde litho’s uit de bundel ‘St. Nikolaas en zijn knecht’ van Jan Schenkman tonen hem als een kwieke neger in een soort harembroek en in het bezit van een eigen – vurig – paard. Pas later in de eeuw zou de knecht de naam Piet of Pieterman krijgen. Tegen die tijd loopt hij in een nichterig pagepakje en spreekt hij brabbeltaal. Maar heeft hij wel een roe in zijn hand.

Is de introductie van Zwarte Piet een artefact, een hulpmiddel van Jan Schenkman? Je zou het bijna geloven, maar wie met voor de hand liggende trefwoorden het internet op trekt ziet dat St. Nicolas, St. Nick, St. Nikolaus en hoe ze allemaal heten zich in heel Europa liet begeleiden door een knecht. Een knecht die bijna altijd een roe in zijn hand heeft, en een zak of mand, en meestal ook nog een zware ketting. Vaak is hij bovendien uitgerust met hoorns en met bokkepoten. Hij heet Krampus, Ruprecht, Hans Trapp of Père Fouettard.

Het is een duiveltje, een demon. Soms heet-ie ook letterlijk Beëlzebub. De combinatie van een heilige met een overwonnen duiveltje schijnt niets bijzonders te zijn. Al in de dertiende eeuw is Sint Nicolaas, toen vooral bekend als de redder van zeelieden, afgebeeld in combinatie met een paar duiveltjes. De ketting die ze later met zich meedragen is de ketting waarmee ze door de heilige werden geketend.

De volkskundige dr. C. Catharina van der Graft zag in 1947 in haar studie over Nederlandse volksgebruiken dan ook niets bijzonders in de naam Zwarte Piet. Zwarte Piet, Pieterman en Pietje Pek waren oude volksbenamingen voor de duivel. Het lijkt er dus op dat Zwarte Piet er al lang was voor Schenkman hem opvoerde. Het eigenaardige is dat de ketting als attribuut uit de Nederlandse Sinterklaas-opvoering is verdwenen. Maar hij wàs er wel. Ook hier geeft De Génestet het bewijs: vers LVII: ‘Nu...is het van Sint-Niklaas, en ’k hoor reeds in den gang, dunkt mij, een vreemd geraas, iets, als ’t rinkinken van een keten.’