'Oude muziek-fans klappen voor elke oude wind, bah'

Paul van Nevel is veertig jaar toonaangevend als dirigent van muziek uit Middeleeuwen en Renaissance. Zijn Huelgas Ensemble viert het jubileum. Met een cd over sigaren.

Paul van Nevel. Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Amsterdam 22-11-2010 Dirigent Paul van Nevel Foto NRC H'Blad Maurice Boyer

De Beurs van Berlage is voor Paul van Nevel vertrouwd terrein. Hij is vaste gastdirigent van het Nederlands Kamerkoor, dat daar het kantoor en een vaste repetitieruimte heeft. In het vergaderzaaltje mag hij zelfs zijn geliefde Havanasigaren roken. „Vanille, cacao, kruidnagel: een sigaar is een weelde voor de zintuigen”, zegt hij. „Bij mijn eerste – ik was 29 – overviel me een visioen van een kelder. Als vijfjarige woonde ik naast een importeur van specerijen. Mijn buurjongetje en ik botsten in de opslagkelder met onze driewielers tegen de juten zakken vol kruiden. Die rijkdom aan geuren herbeleefde ik. Sigaarroken noodt tot bespiegelingen.”

En dus viert u 40 jaar Huelgas Ensemble met een cd vol sigaarmuziek?

„Ja, dat vind ik leuk, er zijn tonnen muziek over sigaren geschreven. Vooral wufte negentiende-eeuwse Franse muziek, overigens. Maar ook wat Spaanse muziek uit de zestiende eeuw.”

Bij het Kamerkoor leidt u deze maand muziek uit Henegouwen, Wallonië. Ik rijd er met de auto altijd snel doorheen.

„Als je een lijst maakt van de 200 belangrijkste componisten uit de vijftiende en zestiende eeuw, komt het gros uit Henegouwen, met dank aan de vele excellente abdij- en kathedraalscholen. Door textiel was het een rijke streek.”

Op tv hoorde ik u lang geleden eens praten over de Henegouwse heuvels en de invloed daarvan op de renaissancecomponisten die er hun wieg hadden staan.

„Ja! Ik werk nog steeds aan een boek over dat onderwerp, dat moet volgend jaar af. In het kort: ik geloof dat de imitatietechnieken die typerend zijn voor de muziek van de Vlaamse polyfonisten, nooit in plat Nederland hadden kunnen ontstaan. Wat je ziet in je jeugd, vormt je horizon – letterlijk en figuurlijk.”

Zoals de heuvels op elkaar lijken, zo ook bootsen de zangstemmen elkaar na?

„Ja. Je merkt ook dat de melodieën glooien: ze verlopen in kleine schreden, een sprong van vijf of zes tonen komt bijna nooit voor. Ik denk ook dat de barok niet in Vlaanderen had kunnen ontstaan: daar heb je de grilligheid en de extremiteit van Italië voor nodig. Het is als het verschil tussen proza en poëzie. De muziek van de Vlaamse polyfonisten is als poëzie. Door haar schoonheid, kan zij verloren herinnering opwekken.”

Wat bedoelt u daarmee?

„Je moet je de levens van die componisten eens voorstellen; zij moesten vaak als zesjarige koorknaapjes al hun ouders verlaten om, na een lange en barre voetreis, verder geschoold en opgevoed te worden aan bijvoorbeeld het hof van Karel de Vijfde. Daar bleven ze dan tot hun stembreuk, gevolgd door universiteit en een levenslange aanstelling als zanger aan het hof. Dus ja, ik denk dat verlangen naar het landschap en het thuis van de jeugd een rol speelde. Een zanger/componist als Cipriano de Rore (ca. 1515-1565) ondernam tweemaal een voetreis om zijn ouders te bezoeken. De tweede keer kwam hij net te laat. Dat ‘Ach!’-gevoel voel je in de muziek. Geen sentimentaliteit, maar de rijkdom om voorbije gevoelens op te roepen.”

Die definitie kun je zo plakken op de fado, ook een passie van u.

„Ach, Lissabon... De stad is pokdalig, maar vol poëzie. Ik heb een boek gewijd aan mijn liefde voor Lissabon, een tweede volgt. Geen openbare klok werkt er. Er zitten geen wijzers aan, of de wijzers zijn even lang. Dat geeft een betoverend eeuwigheidsgevoel.”

Toch woont u in keurig Hannover.

„Ik kan niet wonen in Lissabon. Dan vind je me binnen twee maanden halfdood in de goot. Ik zou elke nacht de fado beluisteren, en had in dat etablissement dan een eigen fles whisky staan. De melancholie van die stad is me te groot, te aanstekelijk. Ik onderga haar met mate. Steeds een week. Maar wel zeer frequent.”

U leidde zo’n duizend concerten, nam ruim zestig cd’s op met muziek van Middeleeuwen tot Renaissance. Veel muziek dook u zelf op in archieven. Wat drijft u?

„Boosheid. Op de middelbare school leerde ik wel wie Memling en Rubens waren. Ook lazen we de Esmoreit. Maar de rijkdom van Guillaume Dufay, Orlandus Lassus en Josquin Desprez kwam niet ter sprake. Pas tijdens mijn studie ontdekte ik de schoonheid van de muziek uit die tijd. Van daaruit dijde mijn terrein uit. Je weet wel waar je begint, maar nooit waar je eindigt.”

Liggen er nog steeds oude meesterwerken verstopt van wie niemand weet?

„In 1970, toen ik begon, was dat zo. Nu is alles gecatalogiseerd. Als ik naar Verona ga, kan ik opzoeken wat daar allemaal te vinden is. Maar niemand raadpleegt die handschriften daadwerkelijk. Terwijl je juist dan stuit op muziek waarvan je denkt: aha, interessant.”

U begon met de Codex Huelgas, opgediept uit een Spaans klooster. Zou u die muziek nu, veertig jaar later, anders uitvoeren?

„Ja. Vooral veel langzamer. Toen was ik nog in mijn Sturm und Drang-fase: het werk moest gerealiseerd. Nu ben ik benieuwd naar wat er achter de noten schuilt. De autoreis werd een voetreis. Je ziet meer, de diepgang is groter.”

De oudemuziek-scene is nu ook minder orthodox dan veertig jaar terug.

„In mijn jeugd waren muziekwetenschap en muziekpraktijk gescheiden werelden. De musicus maakte gebruik van de transcripties die een musicoloog maakte van oude handschriften. Die werelden zijn naar elkaar toe gegroeid. Een ander verschil is dat zeer veel overal in nette uitgaven voorhanden is. Objectief is dat een verbetering. Maar er kleeft ook een risico aan. Over alle denkbare vragen die de muziek kan oproepen, zijn boeken geschreven. Voor de creativiteit is dat funest. Voor de romantiek van het vak trouwens ook.

Waarom? Informatie doodt inspiratie toch niet per se ?

„Maar wel de drang om vragen te blijven stellen. Een voorbeeld: hoe plaats je de woorden op de noten? In de Renaissance bepaalden alle zangers dat zelf, dus heus niet iedereen koos voor exact dezelfde tekstplaatsing. Nu is het ondenkbaar daarmee te variëren.”

Dus hoewel ze meer weten, zijn musici nu naar uw smaak minder spontaan en dus minder ‘authentiek?’

„Een ‘authentieke’ uitvoering van een stuk bestaat niet. Je kunt authentiek zijn tegenover jezelf en in je pogingen de partituur zo goed mogelijk uit te voeren. Maar wat is een ‘authentiek’ tempo, ritme? Ook omstandigheden zijn nu zo anders dat van echte ‘authenticiteit’ nooit sprake kan zijn. Kijk naar het masker van Erasmus. Die brede kaak! Zo zien wij er toch echt niet meer uit.”

Heeft de evolutie in vijf eeuwen zo’n grote sprong gemaakt?

„Door voeding en veranderde seksuele opvoeding komt de stembreuk bij jongens eerder. Toen was je 18, nu vaak 12. Volwassen stemmen waren ook anders. Je vindt partijen voor zeer hoge tenoren en zeer lage bassen die bijna niet meer te bezetten zijn. Ik vermoed onder invloed van veranderde voeding. Nu eten we veel conserven. Toen was al het eten vers en at men ook veel vetter.”

Op het Festival Oude Muziek bent u zelden. Heeft dat met uw aversie tegen ‘authenticiteit’ te maken?

„Specialistische festivals waren zeker zinvol toen de oude muziek nog moest vechten voor een eigen plek. Maar nu? Ik vind het interessanter oude muziek te programmeren naast Bach, Brahms en Bartók. Als zij dan overeind blijft, is het goede muziek. Maar fanatieke oude muziek-fans klappen voor elke oude wind die wordt gelaten. Bah.”

Het publiek voor oude muziek is zelf ook vaak vrij oud. Verontrust u dat?

„In echt katholieke landen als Spanje en Portugal tref ik een zeer jong publiek.”

Speelt religie voor uzelf een rol?

„Ik ben me bewust van de religieuze context van de muziek die ik dirigeer. Maar tijdens concerten ben ik niet bezig met welke notie van het Hogere dan ook, dan ga ik puur op in technische zaken. Ik ervaar wel eens vervoering, maar dat is later – als ik muziek achteraf terughoor op cd. Mij gaat het ook niet om religie, maar om magie. De magie van een met meesterschap geconstrueerd muzikaal bouwwerk, waarin minimale middelen leiden tot grote schoonheid.”