Meubels als gebouwen in het klein

Berlage Totaal! heet de tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum, gewijd aan Berlage de alleskunstenaar. Van zijn gebouwen speelt alleen het Gemeentemuseum een rol.

H.P. Berlage: eikenhouten buffet met beslag van zink- of nikkellegering, snijwerk van C.A. Oosschot, 1899-1900. Collectie van het Haagse Gemeentemuseum Berlage 2 Eikenhouten buffet met beslag van zink- of nikkellegering, snijwerk van C.A. Oosschot, 1899-1900, coll. Gemeentemuseum Den Haag

Bij elk bezoek aan het Haags Gemeentemuseum, steeds als je langs die serene vijver en door de glazen gang loopt en dan paf, in die hemelse hoge witte hal staat – elke keer weer denk je: wat zonde dat hij dit niet heeft mogen meemaken. Dit was het laatste gebouw van architect H.P Berlage: hij overleed in 1934, een jaar voor de opening.

Nu viert het museum zijn 75-jarige bestaan met de tentoonstelling Berlage Totaal!. Op het eerste gezicht een wonderlijke titel, want die gaat over alles wat Berlage tekende en ontwierp, behalve juist datgene waar we hem het beste van kennen: zijn architectuur. Met ontwerpen als dat voor de Beurs en voor Plan-Zuid in Amsterdam is hij onbetwist de bekendste bouwer van de begin vorige eeuw.

Het enige gebouw dat met dit feestje mee mag doen is het eigen gebouw van het Gemeentemuseum zelf, dat tussen 1995 en 1998 ingrijpend is gerestaureerd. Het museum grijpt deze gelegenheid vooral aan om het totaalbeeld van deze bijzondere kunstenaar in te kleuren met zijn ander werk, zoals meubels, boekbanden, reisschetsen, servies, zelfs behang.

„Het overgrote deel komt uit eigen collectie”, zegt Titus Eliëns, hoofd collecties en hoogleraar in Leiden in de geschiedenis van de negentiende- en twintigste-eeuwse wooncultuur. „Doordat we nu andere kanten van Berlage laten zien, kunnen we werken uit het depot halen die nooit eerder getoond zijn. Bijvoorbeeld een aantal schetsen die hij op reis door België en Frankrijk maakte. Zijn schilderijen zijn niet om aan te zien, maar deze tekeningen zijn heel direct en charmant.”

De grootste verrassing is zonder twijfel de grote maquette van Berlages eerste ontwerp voor het Haags Gemeentemuseum, al uit 1920. Het is enorm groot en nogal pompeus, met twee grote vleugels langs de vijver die samen komen in een stilteruimte. Eliëns: „Berlage heeft later gezegd dat de glazen gang van het museum bedoeld was als een overgang van straatgewoel naar de contemplatie binnen. Maar in dit eerste ontwerp loopt die gang gewoon langs de straat! Ook Berlage kon dus hinein interpretieren.”

Op de muur ernaast is een tekening flink uitvergroot van het Gemeentemuseum in aanbouw, in grootte nog geen derde van wat hem in 1920 voor ogen stond. De kale betonnen beenderen van de hal zijn goed te zien. Wat een contrast tussen dat Byzantijnse uit 1920 en de moderniteit van het gerealiseerde museum.

Zo blijkt de Berlage die we in eerste instantie associëren met baksteen en eikenhout, een vroege voorstander te zijn geweest van de mogelijkheden van beton. Al in 1904 voorspelde hij op een congres in Madrid dat gewapend beton voor een totale ommekeer in de architectuur zou zorgen. Architecten die bij de tijd willen blijven, moeten „reeds nu de kunstzinnige vormgeving ervan bestuderen”.

Het geelgroene servies van persglas dat hij in de jaren twintig ontwierp met zijn medewerker Piet Zwart, zelf later een beroemd industrieel vormgever, getuigt ook van een vooruitziende blik. Berlage had al veel dure unica voor rijke opdrachtgevers gemaakt, nu ging hij aan de slag om ‘goede’ ontwerpen gestandaardiseerd te produceren en dus voor een breed publiek betaalbaar te maken.

H.P. Berlage beschouwde meubels als gebouwen in het klein. Om die meubels tot leven te brengen heeft het museum een aantal interieurs voor zover mogelijk gereproduceerd, met originele foto’s van de kamers en opdrachtgevers. Pas dit jaar kocht het museum een tafel en zes stoelen uit een collectie in Turijn. De tafel is gedekt met glaswerk en servies dat Berlage ontwierp voor Leerdam en Het Binnenhuis, zijn ‘verkooplokaal’.

Een van Berlages trouwste opdrachtgevers was Carel Henny, directeur van verzekeringsbedrijf De Nederlanden van 1845, die hem zes kantoorgebouwen en een woonhuis liet ontwerpen. Het bureau van Carel Henny staat er, de nog altijd glimmende roodkoperen lamp herkennen we ook van de foto – het doet haast huiselijk aan. Maar er was ook huiselijke onenigheid, zo weet Titus Eliëns. „Het echtpaar mocht van Berlage haast geen eigen meubels houden, alleen in de privévertrekken van mevrouw. Zij vond dat haar man zich te veel door de architect liet dicteren. Niet lang nadat de villa voltooid was, zijn ze gescheiden.” De schoonheid komt met een hoge prijs.

Berlage Totaal! t/m 27 febr. in het Haags Gemeentemuseum, Inl: gemeentemuseum.nl