Hoeveel Q-koortsdoden vóór we wakker worden?

De cv-koorts bij de PVV lijkt chronisch te worden, zoals ProRail en de ‘vrije postmarkt’ ook onbehandelbare trekken krijgen. Maar de kiloknaller in het nieuws van de week was het gebrek aan verontwaardiging over de ontspoorde vleesindustrie. Hoeveel slachtoffers moeten de van overgefokte dieren overdraagbare ziektes nog maken?

„Duizenden hart- en vaatpatiënten in Zuid-Oost Brabant worden de komende tijd getest op chronische Q-koorts. Op dit moment is al bij twintig mensen de diagnose gesteld, van wie er vier zijn overleden. In de meeste gevallen hadden deze patiënten er geen idee van dat ze de bacterie onder de leden hadden.” Een bericht uit dagblad BN/de Stem van donderdag.

Volgens een deskundige schatting zullen tussen de 400 en 2.000 mensen in de Brabantse regio, waar de besmetting is neergeslagen, de chronische vorm van Q-koorts ontwikkelen. Als zij eraan doodgaan, zal de directe oorzaak alleen bekend worden als zij op Q-koorts zijn getest. Anders worden zij ingeboekt onder hart- en vaatziekten.

In 1985 promoveerde Jan-Hendrik Richardus op de opmars van de voor mensen gevaarlijke Q-koorts. Zijn waarschuwingen zijn 25 jaar genegeerd. De evaluatiecommissie-Klein, die maandag rapporteerde over het ambtelijk gesteggel van de laatste jaren, oordeelde zorgvuldig om niet te zeggen mild over de wijze waarop de overheid de Q-koorts crisis heeft behandeld.

Het ministerie van Mensengezondheid heeft zich jaren door het ministerie van Boerenzaken laten vertellen dat Q-koorts een regionaal probleem was en dat het vanzelf wel over zou gaan. Hoewel 700 mensen, eenderde van de volwassen bevolking van het dorp Herpen, de ziekte kregen. Duizenden elders zouden volgen.

En net in de week waarin deze geschiedenis van ambtelijk vingerwijzen, politiek dralen en voorrang voor de economische belangen van de vleesindustrie, hieven de nieuwe bewindslieden Schippers en Bleker het levenslange fokverbod voor geiten uit de wegens besmetting bedrijven weer op. Snel terug naar niks aan de hand.

De vorige minister van Landbouw, Gerda Verburg, had het politieke vernuft in dezelfde week te pleiten voor een sterke vermindering van het aantal toezichthouders. ‘Liever vertrouwen dan wantrouwen in ondernemers’. Mooi uitgangspunt, als dat vertrouwen wordt waargemaakt. Dat is in de grote vleesteelt niet het geval: de meeste agrarische bedrijven hebben net zo weinig te maken met ‘Boer zoekt Vrouw’ als het gemiddelde taxibedrijf.

Boerenondernemers die antibiotica bij het ontbijt van hun dieren doen om de productie te garanderen zonder dat de dieren naar buiten hoeven, gezond eten of een schone stal vergen, hebben hun vertrouwen verspeeld. Voor iedereen die voor een paar euro een kilo knalvlees wil roosteren. Ook deze week verscheen het rapport van een toevalligerwijs door een CDA-senator geleide stuurgroep die constateerde dat het vrijwillig terugdringen van antibiotica in de vleesproductie zo’n vaart niet loopt.

Wat bleek? De voorgenomen reductie in de afgelopen twee jaar bedroeg twee procent. Minister Verburg wilde weten hoe afname met 20 procent in twee jaar mogelijk is. Niet, zou het korte antwoord kunnen luiden. De stuurgroep-Werner wil dat een nieuwe Diergeneesmiddelenautoriteit normen gaat opstellen. Die moeten voorlopig vrijwillig worden nageleefd. De sector is zich bewust van het probleem, heet het. Maar dwang, daarvoor is het nog te vroeg.

Zo houden we ons zelf aan het lijntje. Voorwaarts vluchtend houdt iedereen zijn belang bij intensieve vleesproductie en goedkoop barbecuen in stand. ‘Het is alleen in Brabant’. Vergeet het maar. De mest wordt ook uitgereden in andere provincies. De ‘zoönosen’, van dier op mens overdraagbare besmettingen, waaien lustig rond. Burgemeesters, GGD’s, het RIVM, het nieuwe ministerie van agrarische en overige economie, iedereen schuift een beetje met het dossier van deze lastig zichtbare ziektes.

De positie van de kersverse staatssecretaris Bleker is van een ironische schoonheid. De man die het CDA door de PVV-hoepel hielp springen, gaat over landbouw én over de posterijen. Net als ProRail, het permanente hoofdpijndossier van iedere minister van vervoer, een voorbeeld van ontspoord denken over publieke verantwoordelijkheid, vrije markt en zelfregulering.

Meer overheid is niet het antwoord op alles wat fout loopt. Wel een overheid die helder aangeeft welke normen wij als beschaafde samenleving stellen én die daadkrachtig handhaaft. De bedrijfspost wordt goedkoper bezorgd, maar de ontvanger is er niets op vooruitgegaan. De informele buurtwacht, die de postbode ook was, moet volgens de PVV weer worden ingesteld.

Zoals bij de intensieve vleeshouderij de schadelijke neveneffecten voor mens en milieu ondergeschikt worden gemaakt aan de economische voordelen, zo is bij de post alleen economisch-theoretisch gedacht. Uit het boek dat de omhooggefuseerde hbo-directeuren lazen.

De vader van staatssecretaris Bleker was postbode, hij weet waarover hij het heeft. Had hij ook nog een perronchef in de familie, dan zou hij de collega van vervoer kunnen aanraden het burgerverstand te vertrouwen en de kunstmatige organisatie het Nederlandse openbaar railvervoer op de schop te nemen. Concurrentie op een zo druk bereden spoornet, waar zo veel van afhangt voor het welzijn van het land, is een fictie. Railinfrastructuur is een openbare dienst die het spoorvervoer naadloos moet dienen.

Intussen kunnen de bewindslieden van Volksgezondheid en Landbouw hun verantwoordelijkheden nemen en Nederland met vaste hand leiden naar een voedselproductie die geen hypotheek neemt op ons aller gezondheid. Een prima exportproduct als het lukt.

E-mail de auteur (opklaringen@nrc.nl) of schrijf online op www.nrc.nl/opklaringen