Het geheim van de flamingo

Flamingo Illustratie Irene Goede

Flamingo’s lijken op danseressen. Hun hals is soepel, hun dunne poten zijn lang, en het pak veren op hun achterlijf ziet eruit als het rokje van een balletdanseres in het Zwanenmeer. Maar dan roze.

In februari zijn flamingoveren op hun allerrozigst. Dan zoeken flamingomannetjes een vrouwtje, en omgekeerd. Als zuurstokken waden ze door het water

In september, een half jaar later, zijn flamingoveren op hun allervaalst. Het hele voorjaar en de hele zomer heeft de zon erop staan branden. De veren zijn bleek geworden en een beetje vies. En de flamingo’s zijn zelf ook moe: van het broeden en van het opvoeden van hun jong.

Maar in oktober glanzen de flamingoveren ineens haast even helderroze als in februari. Terwijl de flamingo’s niet in de rui zijn geweest, en dus géén nieuw verenkleed hebben. Een Spaanse bioloog heeft dat raadsel opgelost. Het geheim is: poetsen!

Net als bijna alle andere vogels hebben flamingo’s een stuitklier waar vet uitkomt. Met hun kop en hun snavel wrijven ze dat vet over hun veren. Zo worden die veren waterafstotend en glanzend, maar ook extra roze. Het vet is namelijk een soort make-up, zoiets als gekleurde lipgloss. Er zit een oranjeroze kleurstof in.

Het gaat om dezelfde kleurstof die de veren ook van binnenuit roze maakt. Flamingo’s krijgen hem binnen als ze roze garnaaltjes uit het water scheppen. Ze nemen dus eigenlijk de roze kleurstof van de garnalen over (‘caroteen’ heet die kleurstof en garnalen halen hem weer uit hún voeding, roze algen).

Daarna komt de stof in hun snavel, in hun poten, in hun nieuwe veren én in dat vet. Vooral in de herfst, als de jongen zijn uitgevlogen. Dan hebben de oude flamingo’s weer tijd om veel roze garnalen op te scheppen, gewoon voor zichzelf. En om daarna lekker lang hun veren op te poetsen.