Harry en de botheid van media

Ergens in mei van dit jaar kreeg ik een telefoontje van een Belgische journalist. Of hij me wat vragen over Harry Mulisch mocht stellen. Toen ik navroeg wat de aanleiding was bleef hij vaag, maar uiteindelijk gaf hij toe dat het was om een herdenkingsartikel klaar te hebben voor ‘als het zover mocht zijn’. Ik hielp de man, hoewel hij de vragen die hij stelde makkelijk zelf had kunnen oplossen, na enig bibliotheekwerk. Met de meester zelf had ik kort daarvoor nog een glas witte wijn op een terras in de P.C. Hooftstraat gedronken. Twee weken later belde dezelfde man nogmaals, weer met vragen die een leerlingjournalist via Google had kunnen beantwoorden. De gemakzucht ergerde me, maar ik bleef hem beleefd van dienst. Ik lachte wat om die journalisten die al jaren voordat het zover is een necrologie moeten klaarmaken. Ik herinnerde me dat Mulisch al in 2009 doodverklaard was door een sufferd die voorbarig het bericht over Mulisch op Teletekst gezet had. Mulisch had daarover smakelijk kunnen lachen bij De wereld draait door.

Eind augustus wist ik dat Harry opgegeven was. Met de familie was afgesproken dat hierover voorlopig niets naar buiten zou komen. Hij zou in september een behandeling ondergaan die hem nog enige tijd zou geven. Met enkele vrienden en familieleden spraken wij over de toekomst van zijn literaire nalatenschap. Daar was hij nogal laconiek over. Na zijn dood moesten wij maar beslissen wat nog de moeite waard was om te publiceren. Hij wees ons de plaats aan waar manuscripten lagen die wellicht nog in aanmerking kwamen. Hij had me eerder al de zes versies van De ontdekking van Moskou laten zien en een daarvan zou na zijn dood wel mogen uitkomen. Hij had ook nog wat half afgemaakte verhalen liggen. Al deze zaken besprak hij met een vrolijke distantie. De drukproeven van verzamelde essays lagen naast zijn stoel. Hij vertelde dat hij over het boek gedroomd had en dat in die droom de titel Opspraak was. Het boek was al aangekondigd als De Waarnemer, maar die titel veranderde hij. Dromen moet je altijd serieus nemen.

Terwijl er in huize Mulisch een serene stemming heerste, maakte ik van de andere kant een mediawereld mee op een manier die ik me nooit had kunnen voorstellen. Ik heb het min of meer aan mezelf te wijten, want op mijn universiteitswebsite staat dat ik Mulisch-specialist ben en dat blijkt wel heel anders te werken dan de vermelding dat ik Bilderdijk-, Van Lennep- en De Schoolmeester-specialist ben.

Vanaf begin september kreeg ik telefoontjes van journalisten die wilden weten of het waar was dat het einde van ‘de heer Mulisch’ nabij was. Natuurlijk hield ik die telefoontjes af. De gezondheid van de heer Mulisch was broos, zoals die van vrijwel alle 83-jarigen, hield ik hun volgens afspraak voor. Maar de geruchten bleken steeds aan te groeien en niet meer te beheersen. Ik moest denken aan de lasteraria uit de opera Il Barbiere di Siviglia, waarin de bas zingt over hoe een gerucht begint als een nauwelijks waarneembaar zuchtje wind en uitgroeit tot een onbeheersbare storm. Ik zag ooit een productie van Dario Fo waarin hij eerst één balletdanser met een klein draaiend kinderparasolletje laat opkomen en vervolgens steeds meer dansers met steeds grotere parasollen laat worstelen, terwijl Don Basilio over ‘La calunnia’ zingt.

De Belg belde weer en ik verloor mijn geduld. Zoek maar op, zei ik, er zijn diverse sites en boeken met alle mogelijke gegevens. Van hem hoorde ik niet meer. In de tweede week van oktober begon het aandringen. Bij de uitgever kregen de journalisten vriendelijk maar resoluut nul op het rekest. Ik ben echter minder getraind en nam dus toch de telefoontjes op. “Met X. We hebben gehoord dat het met de heer Mulisch niet goed gaat. Als het bericht doorkomt dat hij overleden is, zou u dan in ons programma willen komen spreken?” Als ik niet opnam, dan was er nog het antwoordapparaat. Ik citeer letterlijk: “Ik bel u in verband met het mogelijk aanstaande overlijden van Harry Mulisch waar hier en daar wat geruchten over gaan. Wij zijn natuurlijk uiteraard in de voorbereidende zin bezig. Het leek ons aardig om vanuit zijn werk ook wat te doen als het zover komt. Dus wij willen aan u vragen of het mogelijk is om een aantal typische Harry Mulisch-zinnen bij elkaar te verzamelen die wij mooi in beeld kunnen brengen.”

Het ging opeens snel achteruit met Harry. Ik nam op dinsdag 26 oktober afscheid van hem, zoals hij van al zijn vrienden in die laatste dagen afscheid nam. Waardig, berustend, met een enkel woord. Zijn diepblauwe ogen spraken de rest uit. Nog voordat alle vrienden het wisten, was de pers al op de hoogte. De telefoontjes werden steeds impertinenter. Zonder enig gevoel van meedogen vroeg men of ik wilde komen opdagen in programma X of Y of Z voor radio of tv, als het zover was. Een presentator met wie ik in het verleden een aardig programma had voorbereid over Harry Mulisch probeerde me op grond daarvan te claimen. Er kwam ook een inlevend en verontschuldigend mailtje van een actualiteitenprogramma dat een hele uitzending aan het overlijden wilde wijden als het zover was en mij daarbij te gast vroeg. De redactie garandeerde een uitzending ‘met eerbied en liefde’. Aan dat programma verbond ik me – waarop ik gebeld werd door het andere actualiteitenprogramma. Ik had toch al toegezegd bij hen te komen. Of ik hen dan in elk geval op de hoogte wilde houden van de toestand van de heer Mulisch? Op woensdag 27 oktober werd ik opgebeld door de presentator van Y. Hij stelde voor dat ik met een taxi naar Hilversum zou komen, zodat ik in de startblokken stond als het bericht vrij kwam. Ik geneerde me plaatsvervangend en besloot nogmaals me niet bij hem maar bij het andere programma aan te sluiten, als het zover was.

Het was bijna vervreemdend als ik een mailtje of telefoontje kreeg waaruit wel een respectvolle houding sprak. Zoals dat van een museum: “Marita, ik hoef niets te weten, maar zeg alleen ja als ik er goed aan doe vast wat mooi materiaal over Harry Mulisch bij elkaar te zoeken.” Of de presentator van een boekenprogramma: “Ik wil hier helemaal niet aan meedoen, maar ik besef ook dat het programma niet gewoon kan doorgaan alsof er niets aan de hand is als Harry toch overlijdt in het weekend. Ik wil dan spreken met mensen die zijn werk echt goed kennen. Ik vind het verschrikkelijk om dit te moeten vragen.” Dat zegde ik toe, en dat werd een mooi gesprek.

Op zaterdagavond 30 oktober werd ik om kwart over acht gebeld. Geen condoleances, geen inleidende woorden door de presentator van Y. “Het is zover. Kan ik een taxi sturen? Ik heb al gebeld met X, maar die hebben maandag pas uitzending en dan hoeven ze jou niet meer, want dan wijden ze niet meer het hele programma eraan.” Ik zei dat ik nog niets van de familie gehoord had, dat er een afspraak was dat de uitgeverij het overlijden bekend zou maken. Of ze zeker waren van dit bericht? Ja, ze hadden contacten waardoor ze dit wisten en er stond iemand op de uitkijk voor Mulisch’ huis. Vijf minuten later belde de weduwe. Hoe graag had ik de fatale woorden eerst uit haar mond gehoord.

Deze column over wetenschap wordt afwisselend geschreven door de natuurkundige Robbert Dijkgraaf, de socioloog Paul Schnabel (over proefschriften), de voedingsdeskundige Martijn Katan, de neerlandicus Marita Mathijsen en de medicus Piet Borst.

    • Marita Mathijsen