Een beetje schelden, een beetje slaan

Het populisme kent zijn eigen dynamiek: nu er dagelijks nieuwe schandaalfeitjes opduiken over het zooitje ongeregeld dat door Geert Wilders het parlement is binnengeloodst, wordt het gemakkelijker om terug te slaan: weg is de deemoed, weg het democratische fatsoen, er kan gewoon weer gebeukt worden. Vrijdag liet Wilders weten het gewroet van de media in het verleden van zijn partijgenoten „spuugzat” te zijn. Hij zal er voorlopig niet meer op reageren. Hetze en heksenjacht – die woorden zullen we de komende tijd nog veel horen.

Of het werkt? De meer oppassende PVV’er, die zich beschaafd druk maakt over de oprukkende boerka, is nu vast afgehaakt door het opzienbarende gedrag van de nieuwe Kamerleden. Martin ‘kopvoddentaks’ Bosma, Eric ‘lelijke dikke kankerzeug’ Lucassen, James ‘gratisnatkutje.com’ Sharpe: volgens partij-ideoloog Bosma hebben we te maken met de ware opvolgers van Willem Drees. Die bewering kun je alleen serieus nemen als je, zoals hij, volledig in de ban bent van de ideologische ketelmuziek van Ayn Rand en Bat Ye’or en de nieuwrechtse neiging om iedereen die echt iets voor Nederland heeft betekend schaamteloos in je verdwaasde gedachtegoed in te lijven. Voor anderen valt dat geloof moeilijker op te brengen. Maar veel verandert er niet. Voor het merendeel van de PVV-stemmers is het gemakkelijk het gedrag van het klasje van Geert te beschouwen als de burgerlijke ongehoorzaamheid van vrije jongens: een beetje schelden, een beetje ontduiken, een beetje knoeien, een beetje zuipen, een beetje slaan. En wanneer het establishment – de journalistiek en de linkse oppositie – een moreel superieure toon aanslaat, wordt het helemaal gemakkelijk partij kiezen.

Ik heb het eerder gezegd: alle sociale spanningen in Nederland zijn terug te voeren op de angst dat een ander zich beter voelt dan jij. Noem het de kloof, noem het rancune, noem het „een gevoel van verlies”, noem het „de eeuwige terugkeer van het fascisme”, het gaat altijd over de ander die zich niks van je aantrekt, die zijn neus voor je ophaalt, die misprijzend op je neerkijkt. Alle vijandbeelden zijn daarop terug te voeren: de graaier aan de top, de vlasbaard die neerkijkt op westerse decadentie, de knutselende kunstenaar die zich van mijn centen boven mij verheven mag voelen. En links natuurlijk, links als in linkse kerk, linkse hetze, linkse regenten en linkse arrogantie – het woord verwijst al lang niet meer naar een maatschappijvisie, die bestaat immers nauwelijks meer, maar alleen nog naar een houding van misplaatste morele superioriteit. Hoezo, betere mensen? Toen de omroep PowNed en De Telegraaf de zaak-Lucassen in het nieuws brachten, zagen de geharde PVV-stemmers er onmiddellijk een hetze van de „linkse media” in.

Nog niet zo lang geleden geloofde ik in de mogelijkheid van een politiek verhaal dat die sociale rancune zou kunnen neutraliseren. De meeste mensen gedijen slecht in een klimaat van dreigen en schelden, van intimidatie en schoffering. Een maatschappijvisie die zuiver negatief geformuleerd wordt – een politiek van inperken en afschaffen, van aanpakken en uitzetten – leek mij het recept voor een nog groter gevoel van malaise. De aanhoudende angst dat een ander je de kaas van je brood eet, dat die ander misbruik maakt van jouw welwillendheid, leek mij geen basis voor een solide wereldbeeld. Haat maakt veel energie los, haat is lekker, maar je bouwt er zo weinig mee op.

Maar waar is dat andere verhaal? Met het verhaal van Barack Obama werd hier een tijdlang gedweept, maar het kreeg geen handen en voeten. In de Verenigde Staten is het snel verbleekt en weggedrukt door de brutale agressie van een volksrechtse beweging. Zijn eigen aanhang vertrouwt niet langer op hem, deze hoopt alleen nog vurig dat volksheldin en vissenmepper Sarah Palin zichzelf naar de electorale afgrond blundert – wat voor de hand ligt, nu blijkt dat ze Joshua Livestro als adviseur in dienst heeft genomen. Ach, de leerlingen van Frits Bolkestein!

Net zo leeft in Nederland de hoop dat de PVV aan zichzelf ten gronde zal gaan. Nog een paar overtredingen, een iets scherper camerabeeld van een beukende Hernandez, een almaar bleker uitziende Geert, die verbeten probeert de boel bij elkaar te houden – en daar gaat de Deense droom. Het zou kunnen, maar het zal niets oplossen. De in opspraak geraakte PVV’ers zijn geen toevallige rotte appels in de mand, ze zijn exemplarisch, ze zijn stuk voor stuk doordesemd van het wereldbeeld van hun partij: het ontketende individu dat door de overheid wordt dwarsgezeten, de haat tegen iedereen die zich beter voelt, het agressieve narcisme van de burger die stiekem bang is dat de wereld het ook wel zonder hem afkan – wat ook zo is. Zolang andere partijen die gevoelens niet kunnen kanaliseren, verandert er niets.

Je zou het bijna vergeten, maar in de afgelopen tien jaar is in Nederland nu al drie keer de revolutie aangekondigd – de lijst van Pim haalde zesentwintig zetels, de gefnuikte partij van Rita beloofde even hetzelfde aantal, en Geert staat nu op vierentwintig. Tot nu toe heeft geen van die revoluties haar beslag gekregen, maar de revolutionaire geest is eerder groter geworden dan kleiner. Als de eenmanszaak van Geert Wilders ontploft, lopen zijn kiezers tijdelijk over naar de VVD en de SP – en beginnen we gewoon weer opnieuw. Frits Bolkestein heeft heel wat leerlingen gehad.

In zijn dankwoord bij het in ontvangst nemen van de Spinozalens afgelopen woensdag verwees de socioloog Richard Sennett naar de negentiende-eeuwse kunsthistoricus Jakob Burckhardt, die de volgende stelling had bedacht: wanneer een maatschappij complexer wordt, neemt de behoefte aan radicale simplificaties navenant toe. In zijn eigen tijd volgde op de omwentelingen van de industriële revolutie de volk- en vaderlandlyriek van het nationalisme.

Die dynamiek zie je nu ook – en niet alleen bij het nieuwrechtse populisme. Wilders en zijn aanhang wegzetten als een reïncarnatie van de bruinhemden is ook een simplificatie. Dat de middelen om met elkaar te communiceren nu ontelbaar zijn geworden, houdt volgens Burckhardt in dat het niveau van die uitwisseling navenant gedaald moet zijn. Laten we even op de website van Elsevier kijken of hij gelijk heeft.

De gewelddadige inslag van Lucassen en zijn geestverwanten is niet het probleem, het is een symptoom: wanneer mensen zich niet langer met de samenleving verbonden voelen, vluchten ze in de heldere taal van de opgestoken vinger en de vuistslag. In dat opzicht lijken de kleerkasten van Geert inderdaad verdacht veel op de ontspoorde Marokkaanse jongetjes in Gouda. Die constatering lijdt ongetwijfeld tot hoon en leedvermaak, maar lost niets op.