De vrije keuzen zijn niet zo nieuw

Van je familie moet je het hebben, nog steeds. Dat blijkt uit de Netherlands Kinship Panel Study, een grootschalig onderzoek naar familiebanden, waar het NIDI aan meedoet. Het begon in 2004 met 8.000 deelnemers en die worden sinds eind vorig jaar voor de derde keer ondervraagd. De betrokken NIDI-onderzoeker, Aart Liefbroer, trekt een paar voorlopige conclusies.

Gevraagd naar hun toekomstwens noemt 80 tot 90 procent van de jonge Nederlanders nog steeds een vaste partnerrelatie en kinderen. Maar in de praktijk leven steeds meer mensen een korter of langer deel van hun leven zonder partner en krijgt 20 procent van de vrouwen geen kinderen.

Nederlanders gaan vaker ongehuwd samenwonen dan veertig jaar geleden, ze trouwen minder en later. Liefbroer: “Samenwonen is een wat brozere relatievorm dan het huwelijk. Daarom hebben meer mensen helemaal aan het begin van hun relatiecarrière een eerste, kortstondige relatie en pas daarna een relatie die wat langer duurt. Zo’n 80 tot 90 procent van de jongeren woont eerst samen. Uitzonderingen zijn orthodoxe christenen en orthodoxe moslims.”

Relaties lopen vaker spaak. Liefbroer: “Mensen stellen hogere eisen aan relaties dan vroeger. Dat kunnen zij zich ook veroorloven, omdat met name vrouwen economisch zelfstandiger zijn. Door die hoge eisen stellen partners eerder teleur.”

INVLOED

Ondanks de individualisering zijn familiebanden in Nederland niet losser geworden. Liefbroer: “Mensen doen iets, zeggen ze, omdat ze het zelf willen en niet omdat dit voorgeschreven wordt door de familie, de kerk, door andere gezagsdragers. Maar dat betekent niet dat ze geen invloed ondergaan van wat mensen en instellingen om hen heen denken.

“Hoewel we tegenwoordig minder dan vroeger afhankelijk zijn van familie, is de betekenis van familiebanden eerder toegenomen. In een tijd van individualisering hebben we minder vastigheid. Door ontkerkelijking en verzwakking van het verenigingsleven hebben mensen minder institutionele banden. En familierelaties zijn de enige die blijvend geactiveerd kunnen worden. Die met vrienden kunnen kortstondig of duurzaam zijn. Uit de NKPS blijkt dat mensen als ze in crisissituaties zitten, vrijwel altijd kunnen terugvallen op familie. Die is op zulke momenten een belangrijke bron van steun.”

Ouders hebben nog steeds invloed op de voorkeuren van hun kinderen. Liefbroer: “De leeftijd waarop mensen kinderen krijgen, is in het algemeen opgeschoven. Toch krijgen kinderen van ouders die vroeg aan kinderen begonnen, zelf ook relatief vroeg hun eerste kind. Dat verband is zelfs wat sterker geworden. Ik denk dat dit het gevolg is van de anticonceptie. Jongere generaties hebben veel meer controle over het tijdstip van kinderen krijgen en hun gedrag zal dus sterker overeen komen met hun voorkeuren dan bij de oudere generaties. Maar als hun voorkeuren voor een deel zijn overgedragen door hun ouders, zul je die terugzien.”

Ouders hebben ook invloed op de school- en beroepskeuze van de kinderen. “Als je ouder hoog is opgeleid, is de kans dat jij ook hoger opgeleid bent groter dan wanneer je ouder lager is opgeleid. Dat verband is in de loop der tijd wel afgenomen, maar die afname, en daarmee de sociale mobiliteit, lijkt een beetje te stagneren.”

Verder geldt nog steeds: soort zoekt soort. “Vroeger hing partnerkeuze sterk samen met de maatschappelijke positie van de ouders. Je trouwde met iemand die ongeveer uit hetzelfde milieu kwam als zij. Nu is die keuze veel meer gebaseerd op het opleidingsniveau van de betrokkene zelf. Opleidingshomogamie, zoals het in jargon heet, voorkeur voor een partner met een vergelijkbaar diploma, is sterk. De Deense socioloog Gosta Esping-Andersen heeft zich hiermee beziggehouden en ziet een verontrustende trend.”

VERSCHILLEN

“Een hoog opgeleide man en een hoog opgeleide vrouw zijn vaak allebei carrièregericht en daardoor wordt hun gezamenlijke inkomen heel hoog. Aan de onderkant van de opleidingspiramide kiezen twee laag opgeleide partners nog heel vaak voor het kostwinnersmodel, waarin de vrouw niet of bijna niet werkt. Dat betekent dat zij een relatief laag inkomen hebben. Door al die keuzes van hoog en laag opgeleide vrouwen, die versterkt worden door homogamie, worden de inkomensverschillen tussen huishoudens nu veel groter dan ze in het verleden waren. Zulke demografische keuzes hebben rechtstreekse consequenties voor de mate van ongelijkheid in de samenleving.”