De stelling van Kathleen Ferrier: Ik doe geen dingen die indruisen tegen mijn geweten

De vorming van het kabinet liep bijna stuk op de gewetensbezwaren van Kamerlid Kathleen Ferrier (CDA) tegen samenwerking met de PVV. Aan Frank Vermeulen legt ze uit dat elke dag de stekker eruit kan.

Bent u een dissident?

„Nee, zo heb ik mij ook nooit genoemd. Ik weet niet waar dat woord vandaan is gekomen. Ik heb een andere mening dan de meerderheid in de fractie over samenwerken met de PVV. Dat is ook de kracht van een middenpartij, bijvoorbeeld een christen-democratische: daar zijn verschillende meningen normaal. Die moeten allemaal gehoord kunnen worden.”

Dissident betekende vroeger iets positiefs: het waren de intellectuelen en schrijvers die het oneens waren met het Sovjetregime.

„Voor mij heeft dissident de connotatie van iemand die er niet bij hoort omdat hij een andere mening heeft. Dat gebeurde toch ook met Solzjenitsyn en anderen? Die werden naar Siberië gestuurd.”

Is dat met u nog niet gebeurd?

(lachend) „Nee, en dat zal ook niet gebeuren want mijn plek is in de CDA-fractie.”

Prominente CDA’ers als Hanny van Leeuwen, Ab Klink en Jan Schinkelshoek hebben zich afgekeerd van de koers van de partij en Bert de Vries heeft zelfs zijn lidmaatschap opgezegd, omdat zij vinden dat het CDA niet afhankelijk moet zijn van een partij als de PVV. Is het niet tijd voor u om toch ook maar op te stappen?

„Nee, absoluut niet. Ik begrijp hen, maar ik heb zelf een andere afweging gemaakt. Ik sta voor een bepaald geluid dat ik graag wil laten horen met de andere collega’s in de fractie.”

Bent u soms niet jaloers op vertrokken fractiegenoten, omdat zij nu geen vuile handen hoeven te maken?

„Ik heb een heel schoon geweten. Ik heb een heel bewuste keuze gemaakt. Ik wil juist op het scherp van de snede het debat aangaan. Het debat moet wat mij betreft gaan over de rol van de christen-democratie in een snel veranderend Nederland, als onderdeel van een wereld die ook bezig is snel te veranderen. Daar zijn samenhangen en verbindingen nodig, ook wereldwijd. Dat gesprek moeten we voeren. Wat de PVV maatschappelijk benoemt, is terecht. De analyses van de PVV kloppen, wat dat betreft. Maar hun antwoorden zijn bepaald de mijne niet.”

Welke analyses bedoelt u?

„Van wat er aan de hand is in de samenleving. Van het gebrek aan zekerheden bij mensen. Algemeen gebrek aan vertrouwen dat mensen hebben in elkaar. Ik denk, en dat zegt Léon Frissen ook, die onze verkiezingsnederlaag onderzocht, dat we de antwoorden op dit moment nog niet heel scherp hebben geformuleerd. Dat is waar ik mij de komende tijd graag voor wil inzetten.”

In de CDA-fractie? Of in gesprek met de PVV?

„Het gaat er wat mij betreft allereerst om dat we als CDA het antwoord duidelijk hebben op de grote vragen van vandaag in ons land. De problematiek die de PVV benoemt gaat er ook over dat de bestuurlijke bovenlaag in ons land losgeraakt is van de basis. Van de schoolklas, van het veld, van de plek waar het eigenlijke werk gebeurt. Het leggen van die verbindingen kan weer de zekerheid en het vertrouwen herstellen. Ik vind dat wij als christen-democraten op die problemen een helder christen-democratisch antwoord moeten geven. Dat kunnen we ook. Maar we moeten het voor onszelf weer scherp krijgen. Daarom moet dat gesprek allereerst in onze partij gevoerd worden. Frissen, maar ook de CDA-jongeren, roepen ertoe op om met lef uit te dragen waar wij voor staan.

„Middenpartijen, niet alleen in Nederland, maar ook in Europa en elders in de wereld, hebben de antwoorden niet meer. We moeten inspelen op wat er vandaag aan de orde is.”

Waarop moet u dan inspelen?

„We hebben te maken met een multiculturele en multireligieuze samenleving waarin mensen geen verbindingen meer met elkaar voelen. Ik denk dat juist wij als christen-democraten een taak hebben. Dat heeft de Duitse bondskanselier Angela Merkel, ook een christen-democraat, onlangs ook goed verwoord: dat je als christen-democraten de opdracht hebt de samenleving in te gaan en niet te wachten totdat anderen bij je komen.”

Gaat het de PVV er niet vooral om aan te tonen dat de multiculturele samenleving een misverstand is en dat daarbinnen de islam een verderfelijke rol speelt?

„Dat speelt een rol, maar dat is niet het enige. Ze benoemen naar mijn idee duidelijk een breder ongenoegen in de samenleving.”

Maar de afwijzing van de islam als religie is wel het punt waar uzelf grote moeite mee heeft.

„Ja, ik heb er moeite mee dat de PVV de islam ziet als een ideologie en niet als een religie, omdat dat als consequentie kan hebben dat je groepen mensen in de samenleving ongelijkwaardig behandelt.”

Daarom blijft u als een waakhond in de fractie zitten.

„Ik voel mij geen waakhond. Misschien is het goed dat ik uitleg waarom ik niet meteen mijn bezwaren tegen de PVV op tafel gelegd heb, voordat deze coalitie tot stand kwam. Op een zeker moment in de formatie kwam informateur Lubbers met het verzoek de samenwerking tussen VVD, PVV en CDA te onderzoeken. Toen hebben we gezegd in de fractie: die weg gaan we. Ik zag duidelijk hindernissen. Daar hebben we het ook toen al over gehad. Maar we zijn vol overtuiging die weg ingegaan. Het ging om de constellatie die het ook is geworden: een minderheidskabinet van VVD en CDA, met gedoogsteun van de PVV.”

Want voor het CDA ging het anti-islamstandpunt van de PVV te ver en daarom was een meerderheidskabinet met PVV-ministers in het kabinet niet aan de orde.

„Ja, zo was het precies. Dus iedereen was vol inzet bezig, maar gaandeweg zag ik dat dingen waarmee ik moeite had niet verbeterden. Ik heb het voor mezelf wel vergeleken met een relatie die je aangaat met iemand van wie je zegt: er zitten wat minder prettige kanten aan het karakter, maar laten we maar kijken hoe het gaat. Als je dan op een zeker moment ziet dat het niet goed gaat, en dat de persoon in kwestie niet verandert, dan moet je ook duidelijk zijn, en zeggen: dit is niet de weg die we moeten gaan.

„Op een zeker moment zijn mijn collega Ad Koppejan en ik tot die conclusie gekomen en we hebben dat tegen de fractie gezegd. Toen hebben we na lang beraad afgesproken om eerst het resultaat van de formatiebesprekingen af te wachten.”

Dat was een cruciaal punt. Toen zwom u de fuik in. Aan het eind was er geen weg terug.

„Ik zie het niet als een fuik. We hebben het er als fractie over gehad en we hebben gezegd: laten we kijken waar we uitkomen. Er kunnen voor ons ook kansen inzitten.”

Op het congres waarop uw partij tenslotte de onderhandelingsresultaten goedkeurde, terwijl u tegen was, werd met zoveel woorden gezegd: we kunnen niet meer terug, want er is te veel bereikt. Dat was het fuikargument.

„Ja, tegelijkertijd was het wel een geldig argument op dat moment. Ik vond de dag van het congres zeer indrukwekkend. Ik heb natuurlijk goed naar mijn partijgenoten geluisterd. Op grond daarvan heb ik uiteindelijk gezegd: we leven in een democratisch land. Als een meerderheid van de partij dit wil, dan doen we dat.”

Maar als Kamerlid hoeft u geen opdrachten van het congres uit te voeren.

„Dat is ook zo. Daarom hebben we duidelijk met de fractie gecommuniceerd wat onze zorgpunten zijn. Dat heeft te maken met de gelijkwaardigheid van mensen. Dat is ons hoofdpunt. Dat heeft te maken met de islam, die niet als religie wordt erkend. Een ander punt is de sociale impact van dit kabinet, óók buiten de dijken. Ten slotte is ook duurzaamheid een belangrijk punt. Dat zijn de zaken waarnaar we kritisch kijken en waar we ons vanuit onze fractie voor inzetten. Dat hebben we allemaal neergelegd in een handreiking aan onze collega’s.”

U heeft in die brief met name maatregelen genoemd op het terrein van asiel, immigratie, gezinsmigratie, inburgering en diversiteitbeleid. U gaat met de oppositie meestemmen indien nodig.

„Ja, als het op die punten de verkeerde kant opgaat in voorgesteld beleid, en de oppositie dient daartegen een motie in, dan zullen we die steunen.”

Maar u kunt niet alles waarmee u het niet eens bent tegenhouden.

„Nou ja, met een meerderheid van 76 zetels is het een wankel evenwicht in de Kamer. Dat geeft gewicht aan mijn stem.”

Ondertussen zijn er berichten dat uw collega’s u en uw collega Koppejan ‘spuugzat’ zijn.

„Dat waren anonieme berichten in De Telegraaf, waarover ik mijn schouders ophaal.”

Het raakt mogelijk het politieke optreden van uw fractie. Dat is toch relevant?

„Ik doe gewoon mijn werk. Ik zeg wat ik vind dat ik moet zeggen, en wij doen dat in goed overleg. We bediscussiëren de zaken in de fractie. Ik houd me er niet mee bezig wat mensen achteraf vinden of wat er anoniem door collega’s tegen journalisten gezegd zou zijn. Echt, daar trek ik mij helemaal niks van aan.”

Heeft u het druk met het monitoren van het optreden van de PVV?

„Het is normaal dat als je als Kamerlid alle andere partijen in de gaten houdt, dus natuurlijk let ik ook op wat Wilders zegt, maar het is niet zo dat ik daar enorm op gefocust ben. We concentreren ons gewoon op het uitdragen van onze eigen lijn.”

In de beeldvorming zit u tussen de vrouw die ieder moment de stekker uit het stopcontact kan trekken, en de burgemeester in oorlogstijd.

„Die stekker kan er ook worden uitgetrokken door alle 75 overige collega’s van de partijen die dit kabinet steunen. En wat die vuile handen betreft: ik doe geen dingen die tegen mijn geweten indruisen. Dat heb ik trouwens acht jaar geleden al gezegd, toen ik Kamerlid werd. Dat is nog steeds zo. Ik ben loyaal aan de christen-democratie, de CDA-fractie in de Tweede Kamer is mijn plek en ik heb in het hele traject geen seconde overwogen om weg te gaan.”