CDA en VVD moeten de gedoogpartij nu gedogen

Terwijl de onthullingen over PVV-Kamerleden blijven komen, ontkennen coalitiegenoten CDA en VVD enig probleem. Een belronde langs de fracties.

Daar gaan wij niet over. Het is een interne kwestie van de PVV. En komen het aanzien van de politiek en de stabiliteit van de coalitie in gevaar? Ach. Hoezo?

Vraag de 52 fractieleden van de coalitiepartners VVD en CDA naar de aanhoudende stroom onthullingen over het verleden van de PVV-Kamerleden. Zoals het Kamerlid Brinkman Hero Brinkman die zich onttrok aan een alcoholcontrole. Of zijn fractiegenoot Jhim van Bemmel die in 2006 veroordeeld is vervalsen van vrachtbrieven.

Hun collega’s van VVD en CDA verwijzen naar hun fractievoorzitter, vragen bedenktijd of halen hun schouders op. Of ze nemen niet op en bellen niet terug. Slechts een handjevol van de volksvertegenwoordigers zegt iets meer, of geeft op zijn minst een verantwoording voor hun onwilligheid iets te zeggen.

Exemplarisch is de reactie van Margreeth Smilde (CDA) die zegt geen commentaar te hoeven geven, want „we leven in een vrij land”. Na enig aandringen komt ze, net als bijna al haar collega’s van de regeringspartijen, met het officiële partijstandpunt: „Dit is een interne kwestie van de PVV”. Haar collega Mirjam Sterk vroeg een half uur bedenktijd – om uiteindelijk ook op dit standpunt uit te komen.

Maar is het echt zo? Is wat binnen Wilders’ partij, in de Tweede Kamer, gebeurt volkomen irrelevant voor de coalitiepartners? En voor het aanzien van de door de PVV gedoogde regering? „Weet u”, antwoordt Smilde bij nader inzien op deze vragen: „Ik ga weer terug naar mijn eerste reactie: geen commentaar.”

Een enkeling verspreekt zich, begint over de LPF, maar de meeste anderen maken het zichzelf makkelijker. Elly Blanksma (CDA) geeft geen antwoord omdat ze „overvallen is” door de vraag”. Jeanine Hennis-Plasschaert (VVD) wil er niet op ingaan en „wordt helemaal horendol” van de vragen over de PVV. Ger Koopmans (CDA) zegt eenvoudigweg: „ik heb geen opvattingen” en Anne Mulder (VVD) wacht het voorlopig rustig af, zo zegt hij. „Ik ben al mijn leven lang NRC-abonnee, dus ik kijk uit naar het artikel waarin ik kan lezen wat mijn collega’s hierover zeggen.”

Ze zullen hem (sorry, mijnheer Mulder) teleurstellen: de collega’s hebben misschien wel een mening, maar willen die niet geven. Sterker nog: het is „ongepast” te oordelen over het functioneren van Kamerleden van andere partijen, zegt Sterk van het CDA. En net als VVD-Kamerlid Ineke Dezentjé Hamming (VVD) wijst ze erop dat de samenwerking met de PVV „inhoudelijk” is. En dus, zo vat Betty de Boer (VVD) samen „raakt dit de coalitie niet”.

Henk Jan Ormel (CDA) is wel bereid, heel uitzonderlijk, hardop na te denken over de perikelen. Hij neemt een spanning waar „in de wijze waarop de samenleving naar volksvertegenwoordiging kijkt”. De kwestie is deze: heeft een Kamerlid een voorbeeldfunctie of moet het iemand zijn waar mensen zich in herkennen? „Voorbeeld of spiegel. Je ziet dat de PVV meer aan die laatste kant zit. Ikzelf vind juist dat een volksvertegenwoordiger een voorbeeldfunctie heeft. Maar ik voel de spanning wel. Ik wil gewoon doen, maar voor tv doe ik een das om, om maar iets te noemen. Anderen vinden me dan een hark.”

De grens van wat Kamerleden op hun kerfstok mogen hebben, ligt bij de wet, zegt Ormel, maar ook bij de kiezer. Iemand een strafblad mag, net als iedere andere burger Kamerlid zijn. Het passief kiesrecht blijft onveranderd. Vervolgens oordeelt de kiezer hoe groot het belang van zijn verleden is.

De incidenten ziet Ormel als smet op het politieke blazoen. En de journalistiek gaat daarbij niet vrijuit. Waar Geert Wilders „een ordinaire heksenjacht” constateert, spreekt Ormel van „een hetze”. Het is niet goed, zegt hij, dat „we in deze tijd van grote internationale problemen alleen maar naar binnen gericht zijn en over onszelf praten”. Ook de krantenlezer komt daarbij niet makkelijk weg, volgens Ormel. „Kennelijk is het verleden van Kamerleden aantrekkelijker dan de financiële- of klimaatcrisis.”

Ormels collega Bas Jan van Bochove wil ook wel iets zeggen. „Bij iedere nieuwe onthulling denk ik: nee toch, niet weer!” Maar dan toch. De gevolgen van de reeks onthullingen zijn onmiskenbaar. De voortdurende aandacht vreet tijd, zegt de CDA’er, waardoor Kamerleden minder tijd hebben voor het handwerk. Dat is het praktische gevolg. Bovendien schaadt dit de hele politiek. „En natuurlijk, natúúrlijk hebben de problemen bij de PVV effect op ons.”

Een ‘lastige kwestie’; het hoge woord is eruit. Toch is bij de VVD niemand bereid het te beamen. Dat was wel anders in de tijd voorafgaand aan Rutte’s partijleiderschap, toen de partij uitblonk in openheid: individuele Kamerleden waren nooit te beroerd om commentaar te geven op politieke ontwikkelingen of elkaar. Dat veranderde toen Rutte de rebellerende Rita Verdonk uit de fractie zette. Tijdens de formatie gold voor ieder Kamerlid hetzelfde antwoord om stilzwijgen te verantwoorden: „radiostilte”.

Individuele reacties vallen daarbij nu op. Neem bijvoorbeeld Helma Neppérus (VVD) die vragen over haar gedoogcollega’s afkapt met „geen commentaar”. Juist zij hamerde nog twee jaar geleden op de geloofwaardigheid van politici, zoals in een debat over de handtekening die toenmalig minister Jacqueline Cramer (PvdA) decennia eerder onder een steunbetuiging aan het activistische tijdschrift Bluf! had gezet. Die zaak moest de regering volgens Neppérus tot op de bodem uitzoeken omdat geloofwaardigheid en persoonlijke integriteit „belangrijke zaken zijn voor een parlement”.

Zo eenvoudig als veel Kamerleden het willen doen voordoen („PVV-aangelegenheid”) is het dus niet. Wat zegt een ervaren VVD-Kamerlid als Charlie Aptroot over de verschillen tussen toen en nu? Aptroot: „Niets. Echt helemaal niets ga ik zeggen, ook niet off the record. Eigenlijk zou u nu tuut-tuut-tuut moeten horen.”