Bèta’s vinden dingen uit, alfa’s halen hun neus op

Volgens Jeroen van der Veer kan met vier simpele maatregelen het aantal afgestudeerde bèta’s en technici worden verhoogd (Opiniepagina, 18 november). Ik geef hem een goede kans, als hij aan dit rijtje een paar maatregelen toevoegt. Het is algemeen bekend dat alfa-georiënteerde studenten en beroepsbeoefenaren wel eens hun neus ophalen voor hun bètabroeders en -zusters, die zich bezighouden met hoogwaardige techniek en/of wetenschap. Deze houding gaat soms zo ver, dat de alfa zich niet zelden met enige trots laat ontvallen dat elke vorm van techniek of natuurwetenschap hem of haar boven de pet gaat. In de toon klinkt dan enige vorm van minachting door.

Ingenieurs en wetenschappers, zo vinden de alfa’s, mogen leuke dingen ontwerpen zoals veilige en duurzame auto’s, duurzame energie, razendsnelle datacommunicatie of uitvindingen doen op het laboratorium, alles met als doel ons aller materiële welzijn te bevorderen. Maar laat het aan ons alfa’s over te bepalen op welke plaats jij, bèta, in de hiërarchie van ons bedrijf of instelling staat en wat voor salaris wij jou zullen betalen. Dat was in mijn tijd al zo, toen ik als ingenieur in de jaren zestig mijn carrière begon.

Echter, probeer maar eens met een team van juristen, economen, filosofen en kunsthistorici een duurzaam huis te bouwen, energie te halen uit de zon, het water of de wind. En doe maar eens een inkijkoperatie zonder de hulp van een bèta-ingenieur die de benodigde instrumenten ontwikkelt.

Mr. ing. J.B. van den Elsen

Venray