Bang door terreurbestrijding

Bij terreurdreiging moet de overheid informatie doseren en niet overdrijven met spectaculaire acties. Dat weet Nederland, maar Duitsland heeft kennelijk niet geleerd van zijn verleden.

Tweedaagse antiterreuroefening aan de Deltaweg in Vlaardingen, 2006. Foto Merlin Daleman Anti-terror oefening. Deltaweg, Vlaardingen. 22-06-06 © Foto Merlin Daleman

De Duitse minister van Binnenlandse Zaken roept op tot waakzaamheid en trekt alle verloven voor de politie tot na Kerst in. De Berlijnse wethouder Erhart Körting (SPD) riep op om uit te kijken naar „verdacht uitziende Arabieren”.

Hoeveel rustiger ging het eraan toe in Brussel, Antwerpen en Amsterdam, waar deze week diverse personen van hun bed werden gelicht op verdenking van steun aan een terroristische organisatie. In Nederland legden de autoriteiten uit dat er in eigen land niets alarmerends aan de hand is. Nederland heeft geleerd van de ervaringen met terrorisme in het recente verleden. Dit in tegenstelling tot Duitsland, waar bij nieuwe incidenten door onhandige communicatie toch weer paniek wordt gezaaid, ondanks veel ervaring met terreur.

Natuurlijk, burgers hebben recht op veiligheidsmaatregelen en informatie over acute dreigingen, maar die informatie heeft weinig zin als ze nog heel vaag is, of wanneer de bron ervan onbetrouwbaar is. Dan moeten er zo snel mogelijk meer inlichtingen worden verzameld, maar moet het publiek ook al in stelling worden gebracht met waarschuwingen en antiterreurcampagnes ?

Mijn onderzoek naar historische en recente terrorismebestrijdingscampagnes in een aantal westerse landen wees uit dat het mobiliseren van de bevolking rond terrorisme, dreiging en angst allerlei onvoorspelbare neveneffecten heeft, zowel op de bevolking als geheel als op de kringen van mogelijke sympathisanten rond de vermoedelijke terroristen.

Neem de ‘Duitse Herfst’ in de jaren zeventig, toen de overheid de Rote Armee Fraktion (RAF) te lijf ging met groot vertoon van macht en geweld. De grootschalige inzet van wegblokkades, straatcontroles en wilde huisdoorzoekingen gijzelde het land jarenlang, in een toestand van morele paniek. De autoriteiten vingen er geen terrorist mee. Dat lukte alleen door de inzet van informanten of door geduldig politiewerk. Sterker nog, de RAF-leden profiteerden juist van de maatregelen. Ze slaagden erin steeds weer nieuwe generaties te rekruteren voor hun strijd tegen de zogenoemde ‘politiestaat’. In Nederland wezen commentatoren en journalisten met afschuw naar deze Duitse toestanden. Ondanks het zichtbare machtsvertoon moordde de RAF nog jaren door, nam de polarisatie tussen rechts en links toe en groeide de onvrede over een gevoelsmatig tekortschietende overheid tot vooroorlogse proporties.

Een enigszins vergelijkbare situatie deed zich kortstondig ook voor in Nederland, direct na de moord op Theo van Gogh, op 2 november 2004. Ook hier werd het van veiligheidsbeleid theatraal. „Dit is oorlog”, verklaarde minister Zalm. Een paar dagen later bestormden speciale eenheden het Laakkwartier om leden van de Hofstadgroep te arresteren. Straten werden afgezet.

Er volgden heftige reacties in het land. In Uden brandde een islamitische school af. Nog meer moskeeën en kerken werden doelwit van aanslagen. Bijna de helft van de bevolking dacht dat de situatie zou escaleren. De angst van etnische groepen voor elkaar nam toe. De aantallen anonieme dreigementen, haatmails en bommeldingen schoten omhoog. Er was sprake van heuse morele paniek.

Dankzij het uitblijven van nieuwe aanslagen nam de angst weer langzaam af. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding zag zich nog gedwongen om op last van de Kamer een grootschalige

Vervolg Terreurdreiging: pagina 2

Duitse nervositeit leidt tot paniek

campagne tegen terrorisme te lanceren. Die reclame voor de ‘100.000 professionals’ tegen terrorisme wekte vooral de lachlust op, en ook wantrouwen. Wat wil die Nationale Coördinator hier eigenlijk mee?

Dat is precies het dilemma waarin de overheid zit: groot vertoon van macht lijkt soms nodig, want ministers zijn bang voor reputatieschade. Denk bijvoorbeeld aan de grootschalige ontruiming van de Arena Boulevard in maart 2009, na een telefonische terrorismewaarschuwing uit België. Stel dat die waarschuwing toch niet loos was geweest? In zo’n geval moet er iets gebeuren. Burgers eisen dat ook. De samenleving is complexer, drukker en kwetsbaarder geworden. Tegelijkertijd suggereren zichtbare maatregelen en waarschuwingen een status van uitzondering, een noodsituatie, die – als er niets aan de hand blijkt te zijn – juist tot spotzucht en wantrouwen leiden, om nog maar te zwijgen van het zogeheten ‘cry wolf’-syndroom: dat men het de volgende keer niet meer gelooft.

Met het oog op deze ongewenste neveneffecten moet publieksinformatie dus zo veel mogelijk gedoseerd en geobjectiveerd worden verstrekt. Geen diffuse waarschuwingen, maar gestandaardiseerde dreigingsniveaus voor het publiek en dreigingsanalyses op maat voor bepaalde bedrijfstakken of locaties, zoals dat in Nederland al een paar jaar gebruikelijk is. Geen door elkaar schreeuwende veiligheidsdiensten, ministers of politievakbonden, zoals afgelopen week in Duitsland, maar een gecoördineerd communicatieplan.

Om te zien wat er gebeurt wanneer er geen duidelijk communicatiebeleid is, wanneer iedereen door elkaar praat en er geen concreet dreigingsschema is, hoeven we nu slechts een blik over de oostgrens te werpen. Duitsland is een ‘nerveuze republiek’, kopte Der Spiegel. Agenten patrouilleren met mitrailleurs op stations, luchthavens en rondom kerstmarkten. Minister van Binnenlandse Zaken Thomas de Maizière (CDU) laste vorige week een persconferentie in om zijn „bezorgdheid” over de terroristische dreiging uit te spreken en de bevolking op te roepen tot „waakzaamheid”. Een paar weken geleden weigerde hij dat nog in alle toonaarden. Anders dan zijn voorganger en partijgenoot Wolfgang Schäuble, die er zelfs niet voor terugdeinsde om niet onderbouwde toespelingen te maken op terreuraanslagen met massavernietigingswapens, wilde De Maizière geen scharfe Hund zijn.

Nu moet hij wel. De Duitsers hebben, anders dan de Amerikanen, Britten of Nederlanders, geen gestandaardiseerd en getrapt model van dreigingsniveaus. Ze moeten het dus doen met vage omschrijvingen van de minister van Binnenlandse Zaken, die de dreiging het liefst omschreef als „abstract hoog”. Sinds de zomer van dit jaar lijkt die dreiging zich te concretiseren. Uit diverse bronnen kreeg de Duitse recherche aanwijzingen binnen dat er een grote aanslag zou worden voorbereid. De vergelijking met Mumbai werd getrokken. Jihadistische commando’s zouden van plan zijn de Rijksdag te bezetten en een bloedbad aan te richten. Het probleem is dat niemand kan zeggen hoe betrouwbaar de Amerikaanse informatie is of hoe geloofwaardig de informant is. Er zijn geen plannen onderschept. Het zijn slechts geruchten.

De Maizière had nog geen informatie willen geven. Hij had liever nog even gewacht op de grootschalige inlichtingenoperatie die hij achter de schermen heeft opgestart (codenaam ‘operatie Maneschijn’), wat meer concrete aanwijzingen zou hebben opgeleverd, maar de vele Duitse nationale en regionale veiligheids- en politiediensten, de vakbonden en het Kanzleramt waren allemaal van mening dat er nu iets moest gebeuren.

Dat is vaak het probleem. Het gaat nooit alleen om een directe relatie tussen objectieve dreiging en bijbehorende veiligheidsmaatregelen enerzijds en publiekswaarschuwingen anderzijds. Er zit altijd een politieke vertaalslag tussen. Wie zet iets wanneer, waarom en hoe op de publieke veiligheidsagenda? De politievakbonden in Duitsland willen meer geld en manschappen. Bondskanselier Merkel heeft het terrorismedossier naar zich toe getrokken, omdat haar coalitie niet het verwijt mag krijgen soft on terror te zijn. Met een groeiende populistische beweging, verwijten vanuit de CSU en schreeuwerige politici als Sarazzin en Stadkewicz in haar rug moet er daadkracht worden gedemonstreerd. De Rijksdag is omgetoverd in een vesting, de politie loopt rond met mitrailleurs en alle verloven zijn ingetrokken.

Wat we nu in Duitsland zien, is een worsteling tussen voor- en tegenstanders van securitisering, de neiging om steeds vroeger, steeds vaker en steeds meer zaken in het domein van veiligheid te trekken – en dat ook zichtbaar te doen.

Er is nog geen allesoverheersende angst- of paniekstemming in het land, maar dat kan wel omslaan. De Berliner Morgenpost kwam op basis van een eigen enquête tot de conclusie dat 51 procent van haar lezers niet bang is voor een aanslag, tegenover 41 procent die dat wel is. Bij Die Welt lag het aantal bezorgde burgers op tweederde. Het is nog niet te voorzien waar het Duitse debat eindigt. Zes op de tien FDP-kiezers en 51 procent van de CDU/CSU-stemmers geven Thilo Sarazzin gelijk. De voormalige Bundesbank-bestuurder en SPD-politicus Sarazzin schreef onlangs een boek waarin hij de Duitsers waarschuwde dat ze veel te ‘soft’ omgingen met integratie en de gevaren van de islam onderschatten. Kanselier Merkel gaf kort daarna toe dat Multikulti was mislukt. Net als in Nederland worden de islam- en immigratiedebatten steeds sterker gevoerd vanuit het veiligheidsperspectief. De voorzitter van de Zentralrat für Muslime, Ai-man Mazyek, waarschuwde al dat de terreurdreigingen en de bijbehorende waarschuwingen het ‘klimaat van de angst’ verscherpten. Het aantal haatmails en bekladdingen van moskeeën neemt toe.

Een terughoudend publiekelijk veiligheidsbeleid, bij intensieve operaties achter de schermen, is in zo’n fase van onzekerheid en spanning een cruciale factor in het voorkomen dat de situatie uitmondt in een theater van de angst. De Maizière weet dat ook wel. In een talkshow gaf hij er een terrorisme-expert van langs die suggereerde dat er tientallen moslims in Duitsland zaten te wachten op nadere instructies van Al-Qaeda. De expert moest van de minister onmiddellijk ophouden met angst zaaien. De Maizière’s eigen collega’s gingen hier echter vrolijk mee door. Het leger moest worden ingezet, eiste de ene CDU-afgevaardigde. De aftapmogelijkheden voor digitaal dataverkeer moeten worden verruimd, eiste een ander.

In het bezweren van de onrust is het contraterrorismebeleid in Nederland al een flink aantal stappen verder. Ook hier eisen politici vaak het onmogelijke van veiligheidsdiensten en houden ze vaak geen rekening met de economische kosten van alomvattende veiligheidsmaatregelen, om nog maar te zwijgen van de sociaal-maatschappelijke kosten ervan. De Nederlandse veiligheidsdiensten houden echter al een paar jaar vast aan hun terughoudende beleid. Toen in september heel Europa wederzijds negatieve reisadviezen begon te verstrekken – Duitsland tegen Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk tegen Frankrijk en Duitsland, Amerika tegen heel Europa – hield de NCTb stug vast aan het ‘beperkte’ niveau van dreiging.

De tijd dat ministers bijna een dag wachtten met informatie na een geslaagde of verijdelde aanslag is voorbij. Informatie is punctueel voorhanden. Dat was in België de afgelopen dagen wel anders. Daar leidden allerlei arrestaties van terrorismeverdachten tot allerlei wilde verhalen, en het duurde even voordat de autoriteiten daar uitsluitsel over konden of wilden geven. Dat deden ze toen wel weer heel rustig en niet dramatisch. Een dag later wijdden de kranten er nauwelijks meer een stukje aan.

De terrorismedreiging in West-Europa is serieus. Veiligheids- en politiediensten doen er goed aan hun samenwerking te intensiveren en hun informatiepositie te verbeteren, maar voordat politici met het thema terrorisme aan de haal gaan, moeten ze bedenken dat er ook een heleboel risico’s kleven aan zichtbaar vertoon van politiemacht of diffuse publiekswaarschuwingen. Zulke waarschuwingen schroeven de verwachtingen op, maar kunnen niet worden waargemaakt. In onze kwetsbare, open democratieën is de terrorismedreiging nooit 100 procent af te wenden. De politiekorpsen zijn al zwaar overvraagd. Bovendien activeren beelden van dreiging sociale afweermechanismen. Zo zetten ze de verhoudingen tussen bevolkingsgroepen op scherp. Terrorisme is een theater van de angst. In zo'n situatie van overdreven waakzaamheid kan een onschuldig incident, denk aan de tegen de Gouden Koets gegooide waxinelichtjeshouder, al leiden tot paniek. Tenminste, dat is wat de terroristen het liefste zien. Ze proberen met een minimum aan inspanningen een maximum aan angst te creëren. Contraterrorismemaatregelen moeten daarom niet alleen gericht zijn op het uitschakelen van terroristen. Ze moeten er ook aan bijdragen de publieke angst en onthutsing zo klein mogelijk te houden.