Zonder is lekkerder

Er zijn 1.200 nieuwe hiv-patiënten bijgekomen, zegt Stichting HIV Monitoring.

Jongeren weten wel hoe het moet, veilig vrijen, alleen doen ze het vaak niet.

Nederland, 22-5-2001 Diverse aids remmende medicijnen. Pillen. Gezondheidszorg. Foto: Harry Cock/HH Hollandse Hoogte

Robin Irwin begrijpt heel goed dat mannen zonder condoom met hem naar bed willen. Zo gaat dat, in the heat of the moment. En het voelt toch anders. Zónder deel je nu eenmaal meer liefde en gevoel met elkaar dan mét.

Robin (27) krijgt die vraag geregeld, of hij seks wil zonder condoom. Hij gaat met ongeveer twintig mannen per half jaar naar bed. „Sommigen vinden dat veel, anderen vinden het weinig”, zegt hij. Bijna vijf jaar geleden liep hij hiv op, en dus houdt hij het nu bij veilige seks. „Al verandert het de zaken wel als de ander ook hiv heeft.”

Voordat hij de ziekte opliep, deed hij wel vaker aan onbeschermde seks. Een menselijke fout, vindt hij. „Soms ben je gewoon te geil. En misschien was ik naïef, ik dacht: ach, die ene keer onveilig kan wel, zo’n vaart zal het niet lopen.”

Zijn we laconieker geworden over onveilige seks? Het lijkt er wel op. De Stichting HIV Monitoring publiceerde cijfers die laten zien dat er sinds juni 2009 1.200 nieuwe gevallen van hiv-besmetting in Nederland zijn bijgekomen. En uit de Schorer-monitor, van het instituut voor homoseksualiteit in Nederland, bleek onlangs dat jonge mannen van onder de 25 jaar nu meer aan onbeschermde seks doen dan vorig jaar. En bovendien is er een trend zichtbaar dat het regelmatig laten testen op soa’s een vervanging is van condooms.

Het probleem ligt in elk geval niet aan het gebrek aan kennis. Dat een condoom beschermend werkt tegen seksueel overdraagbare ziektes, dat weet bijna iedereen dankzij overheidscampagnes van de laatste jaren. Maar lang niet iedereen handelt daar dus naar.

Dit jaar gebruikte bijvoorbeeld 37 procent van de homo’s onder de 25 jaar niet altijd een condoom bij anale seks. Dat aantal ligt nog hoger bij mannen met wisselende contacten: dan gebruikt bijna de helft (47 procent) niet altijd een condoom.

Bij hetero’s is een soortgelijke trend te zien. Uit onderzoek blijkt dat 80 procent van de hetero’s goede bedoelingen heeft en de eerste keer met een nieuwe date wel een condoom gebruikt. Maar na een paar dates zakt dat aantal ineens naar 60 procent.

Homo’s én hetero’s zijn weer lakser geworden, mede doordat de angst voor het oplopen van het hiv-virus de afgelopen jaren is verdwenen. Vanaf 1997, toen medicatie op de markt kwam die hiv behandelbaar maakte, verdampte de angst die er in de jaren daarvoor zo had ingehakt. Na een flinke daling in de jaren tachtig steeg het aantal geïnfecteerden weer fors. Die stijging ging door tot ongeveer 2005. Sindsdien is het aantal seksueel overdraagbare aandoeningen (soa’s) op dat hogere niveau blijven steken.

Veilige seks werd minder relevant, mede doordat het beeld van hiv is veranderd – hier en daar is dat beeld zelfs helemaal verdwenen. „In de jaren negentig ontmoette je aidspatiënten in de kroeg, die een jaar later gewoon dood waren. De schrik zat er stevig in. Nu is hiv voor de grote massa afwezig, je hoort er niets meer over. En voor anderen is hiv vooral een chronische kwaal geworden, waarmee je goed door kunt leven”, vertelt Wim Zuilhof van het Schorer-instituut.

Een jongere trend dan die van de verdwenen hiv-angst is het gevoel van schijnveiligheid door het regelmatig laten testen op soa’s. Het is het idee dat je geen veilige seks hoeft te hebben als je volgens de test geen soa blijkt te hebben.

Sinds enkele jaren hameren overheid en voorlichtingsinstanties niet alleen op veilige seks, maar ook op het laten testen op soa’s, als hiv, chlamydia, gonorroe en syfilis. Dat pro-test-beleid heeft effect: in 2009 lieten ruim 93.000 personen zich testen in een soa-kliniek, dat is een stijging van 6 procent ten opzichte van 2008. Ook huisartsen verrichten de laatste jaren veel meer soa-testen.

Daar ligt nu een deel van het probleem: sommige jongeren gebruiken de soa-test als vervanging van veilige seks. Jan van Bergen is huisarts-epidemioloog en werkt ook bij Soa Aids Nederland. Hij krijgt op zijn spreekuur regelmatig jongeren die zich op soa’s willen laten testen. De eerste keer dat bijvoorbeeld meisjes zich na onveilige seks op chlamydia laten testen, is hij altijd positief: „Wat goed dat je je laat testen.” Dat wordt minder als ze drie maanden later opnieuw aankloppen. „Even een testje doen”, zeggen ze dan. Waarom? Ja, weer onbeschermde seks gehad. Om drie maanden later weer een test te komen doen. „Maar weer even laten checken.”

Omdat zijzelf na een test zeker weten dat ze geen soa hebben, denken ze dat ze ook niet aan veilige seks hoeven te doen, legt Jan van Bergen uit. Als iemand verliefd is, is het vertrouwen al snel groot genoeg om het condoom achterwege te laten. „Alles ziet er schoon uit, hij heeft nergens last van en hij is de prins op het witte paard, dus het zal wel goed zitten.”

De risicoperceptie is altijd lager bij jezelf dan bij anderen. „Mij overkomt zoiets niet, denken veel jongeren al snel.” Die lakse houding levert niet alleen een gezondheidsrisico op voor het individu, maar ook voor de grotere gemeenschap. Huisarts Jan van Bergen legt uit dat bijvoorbeeld bij de medicatie tegen gonorroe (een druiper) de afgelopen jaren een sterke vorm van resistentie is opgetreden. Binnen vijf jaar was de resistentie tegen de gangbare antibiotica toegenomen van 10 naar 40 procent.

Nu moeten patiënten worden geïnjecteerd met een nieuw medicijn, en ook daar is al resistentie tegen opgetreden. „De kans op een multiresistente gonorroevariant is dus zeker aanwezig.”

Voor hiv-medicatie geldt een vergelijkbaar gevaar. De methode ‘ik slik gewoon één pil per dag en ik leef verder door’ werkt niet. Als een hiv-patiënt niet elke dag precies op het juiste tijdstip zijn medicijnen inneemt, ontstaat de kans op resistentie. „Dan kan hij wel een andere pillencombinatie gebruiken, maar na twee of drie combinaties houdt dat ook op”, legt Van Bergen uit. En als die patiënt vervolgens onveilige seks heeft, draagt hij dus een resistent virus over.

Natuurlijk is de andere kant van het verhaal dat lang niet iedereen nonchalant omgaat met veilige seks en de risico’s op hiv of een andere soa. Van de homo’s gebruikt de meerderheid wél een condoom. En het regelmatig laten testen heeft vooral ook een positieve werking. Want personen die zich níét laten testen, homo of hetero, verspreiden de meeste infecties omdat zij misschien geen klachten hebben, maar wel degelijk een soa bij zich dragen.

Twintigers zijn misschien zelfs voorzichtiger in bed. Dat is in elk geval wel de ervaring van Robin Irwin. Hij date met mannen van allerlei leeftijden, en ziet dat veertigers minder moeilijk doen over hiv dan jongeren. Zij hebben in de jaren tachtig en negentig de hele hiv-ontwikkeling meegemaakt, en weten dat er nu goede medicatie bestaat. „Jongeren weten er eigenlijk te weinig van en zijn daarom vaak juist banger.”

Irwin schat dat hij aan ongeveer de helft van zijn bedpartners vertelt dat hij hiv heeft. Hij zegt het alleen wanneer hij denkt dat ze niet al te paniekerig zullen reageren, anders doet hij het gewoon veilig. „En het gebeurt dat een leuke jongen dan niet meer met me naar bed wil omdat ik hiv heb.”