Wij willen weg! Wij zijn het in de Kempen beu, beu, beu

Cover van het boek Dieperik van Leo Pleysier

Leo Pleysier: Dieperik. De Bezige Bij, 112 blz. € 16,90.

Lekke fietsbanden worden er niet geplakt, maar ‘gevulkaniseerd’. Ooms heten ‘nonkel’. Men leest er iemand niet de les, maar ‘de levieten’. En neemt een man ontslag, dan ‘steekt’ hij ‘het roer in de haag’.

Wij zijn in Vlaanderen. In de Kempen, om precies te zijn, het Belgische zusje van de Peel. Het is de streek waar Leo Pleysier geboren en getogen is en waar hij nog altijd woont. Ook een aantal van zijn boeken speelt zich daar af, zoals Wit is altijd schoon (1989) en De kast (1991). Kinderen groeien op in gehuchten als Hoogstraten en Brecht en gaan op kostschool in Turnhout. Nonkels gaan naar Wechelderzande om op de vogeltentoonstelling deel te nemen aan het provinciaal kampioenschap in de categorie ‘postuurkanaries’. Ze wonen dan wel in de Kempen, Pleysiers romanfiguren, maar met gemengde gevoelens. Het is er mooi, maar ook wel wat boers. Het is er lekker overzichtelijk, maar ook wel wat bekrompen.

In zijn nieuwe roman, Dieperik, ziet de tienjarige Michel zijn eigen ongedurigheid terug in het onrustige geschuifel en geloei van de koeien. „Ik verdenk onze koeien ervan dat zij ondereen plannen smeden om te staken, om hun melkproductie stil te leggen, om uit te breken, om ons in de steek te laten. ‘Wij zijn het hier beu, beu, beu. Wij willen weg, wij willen iets anders.’ Ik ook, denk ik dan.”

Die behoefte om uit te breken, heeft ook nonkel Wies, die bij de familie inwoont, als boerenknecht. Hij vindt zijn loon te karig en is dus ontevreden. De druistige Wies gaat regelmatig zwemmen in een oude kleiput. Op een zomerdag neemt hij zijn neef mee. Dat loopt bijna verkeerd af, omdat Michel, die niet kan zwemmen, onder water raakt en door Wies uit ‘de dieperik’ opgevist moet worden en beademd. Er mag over het levensgevaarlijke incident niet gesproken worden. Michel houdt zijn mond, hoe graag hij zijn moeder ook deelgenoot zou maken van zijn bijzondere onderwaterervaringen. En dus maakt hij steeds achtvormige lussen om haar heen met zijn fiets. ‘Ik zwenk en ik zwier, ik zwalp en ik laveer.’

Die bijna-verdrinking en het broedende zwijgen erover vormen de kern van deze sfeervolle plattelandsvertelling. Ogenschijnlijk gaat het er gemoedelijk aan toe, maar er ligt steeds iets op de loer om de rust te verstoren: muitend vee, ruzies, ongelukken. En passant praat Pleysier ons luchtig bij over de teloorgang van de plaatselijke steenfabriek en over juffrouw Cretskens, lerares Frans, die na een misstap in een rolstoel zit, zonder benen.

Ook krijgen we in vogelvlucht het verdere verloop van het leven van Michel te zien: studie, huwelijk, drie kinderen, een reisje hier, een verhuizing daar en ten slotte, vijftig jaar later, een hernieuwde ontmoeting met nonkel Wies. Die blijkt zich niets meer te kunnen herinneren van de troebelen rondom de kleiput. Beginnende dementie? Verdringing? Of is het hele zwemincident misschien ontsproten aan Michels verbeelding, die andere ‘dieperik’?

Het gaat hier niet om harde feiten, maar om het behoedzaam onder woorden brengen van gevoelens en ervaringen. Als iemand opmerkt over juffrouw Cretskens dat zij een bepaalde reputatie heeft, dan zien we hoe dit woord bijna letterlijk wordt beproefd. ‘Een reputatie. Een rapetutie. Een rupputoasie.’ Dit aftasten van de mogelijkheden van de taal maakt de grote charme uit van Dieperik, waarmee Leo Pleysier opnieuw zijn rupputoasie of rapetutie als schrijver van speelse en hier en daar zelfs licht experimentele streekromans bevestigt.

    • Janet Luis