Verkwanselen

Hun hebben de taal verkwanseld. Zo heet het nieuwe boek van Jan Stroop, taalkundige en de ontdekker en beschrijver van het Poldernederlands. Zijn verhandeling daarover is geïnspireerd door de popzangeres Trijntje Oosterhuis die in 1997 op de avond van de vierde mei op de Dam een gedicht voorlas. Het viel Stroop op dat ze een eigenaardige uitspraak had. Ze had het over de vierde mai en bij haar kregen alle ei’s en ij’s dezelfde behandeling. Geef mai maar een gekookt ai. Stroop deed nader onderzoek en zo is dit essay ontstaan, Poldernederlands waardoor het ABN verdwijnt, verschenen in 1998.

De tijd verstrijkt, en of we het ermee eens zijn of niet, de taal blijft veranderen. Dat is vooral een probleem voor de perfectionisten van de oudere generaties. Stroop is zich dat bewust. In zijn inleiding schrijft hij; ‘Zoals elke taalgebruiker vind ik het Nederlands waarmee ik opgegroeid ben het best en het aangenaamst.’ Ik kan het begrijpen; ik kom uit een frikkengeslacht. Ook daarom is zijn hoofdstukje Taalkunde op school moet! me uit het hart gegrepen.

Maar hier gaat het over iets anders: het wauwelwoord. Het is ontdekt door mr. F.B. Bakels. Hij heeft er een brochure over geschreven, Goed taalgebruik, verschenen in 1956, een strijdschrift tegen alle taalkundige ongerechtigheden uit die tijd. Het gebazel, de modieuze leuterwoorden en de wauwelwoorden. In die tijd werd er anders gewauweld dan nu. Stroop stelt vast dat Bakels het wauweltij niet heeft kunnen keren. Bij hem staat ‘zeg maar’ aan de top van de eigentijdse lijst. Bij mij ook. Zeg maar is een epidemie geworden, de Q-koorts van ons spraakgebruik. Kijk één avond televisie, alle netten. In het nieuws, bij de grappenmakers van de toksjows, de mensen van het weerbericht, de praatprogramma’s. De zegmaars blijven je om de oren vliegen.

Er zijn veel meer wauwelwoorden in gebruik. Doe zelf een onderzoek, pak ’s ochtends om een uur of half negen een tram, het hindert niet welke. Die zit vol kinderen. De meesten zijn op z’n best hard tegen elkaar aan het praten en de anderen schreeuwen. Jaaa, dan heb ik iets van zeg maar kùt! Of zo. Wauwelwoorden vormen het bouwmateriaal voor een breedsprakerige nietszeggendheid. Toch horen ze tot onze moedertaal. Er worden waarschijnlijk boodschappen mee overgebracht waarvan wij ouderen niets begrijpen en die ook onvertaalbaar zijn. Dat hoort tot de generatiekloof. Niets aan te doen.

Er is nog een ontwikkeling gaande: de verbreiding van de superovertreffende trap. Die komt bij Stroop niet aan de orde. De neiging om je in ultrasuperlatieven uit te drukken komt vooral voor in kringen van kunstenaars en sportverslaggevers. Luister eens op RadioVier naar een interview met een componist of een musicus. Niets is gewoon mooi, het is héél mooi, enorm ontroerend, geweldig meeslepend, ontzaggelijk emotioneel, kortom helemaal te gek voor woorden. Deze lust om je, hoe dan ook, als de absolute geweldenaar voor te doen is natuurlijk door de opkomst van de massamedia bevorderd. Iedereen met enig talent trekt onvermijdelijk de aandacht, wordt geïnterviewd en kan dan de absolute krachtpatser uithangen. Maar in feite is het een oude vaderlandse hebbelijkheid. Menno ter Braak heeft er al de aandacht op gevestigd in 1932, ter gelegenheid van een Rembrandt-tentoonstelling. Een dominee Hooykaas had de expositie ‘gebeukt’ verlaten. ‘Men moet geweldiger zijn dan men is, men moet paniek en orgasmen beleefd hebben voor Hendrickje die zich uit de bedstee buigt.’ Zo is het nog altijd. En Ter Braak schreef prachtig Nederlands.