Uit talloos veel miljarden

Twee nieuwe uitgaven maken volgens Pieter Steinz kans op de titel ‘mooiste boek over New York ooit’: een collectie ansichten en een fotografisch overzicht.

Het Empire State Building in New York, in 1932 gefotografeerd door Edward Steichen. Uit 'New York. Portrait of a City', Taschen

Thomas Kramer (ed.): New York in Postcards 1880-1980. The Andreas Adam Collection. Scheidegger und Spiess, 560 blz. € 59,- (geb.)

Reuel Golden (ed.): New York. Portrait of a City. Taschen, 562 blz. € 50,- (geb.)

Dure winkelstraten, ruige achterbuurten, razend verkeer, gillende politiesirenes, machtige bruggen, en boven alles hoge gebouwen. Het beeld van New York City is opgetrokken uit clichés, die telkens weer via andere media worden verspreid. Voor de computergeneratie zijn dat games waarin de stad nauwkeurig is nagebouwd – eventueel onder een andere naam, maar met de look and feel van het origineel. Voor veertigplussers zijn dat de televisieseries en films waarin New York meer dan zomaar een locatie was. En voor hun grootouders waren dat de foto’s van Edward Steichen en Alfred Stieglitz, of de romans van Edith Wharton en John Dos Passos.

Er moet ook een tijd geweest zijn dat het beeld van ‘Skyscraper National Park’ (zoals de schrijver Kurt Vonnegut het later noemde) vooral gebaseerd was op de prentbriefkaarten die de eerste toeristen in New York naar huis stuurden. Draagbare camera’s waren er niet of nauwelijks, en nadat

Vervolg op pagina 2

Groeten uit Skyscraper National Park

het mogelijk was geworden om (met behulp van het half-tone process) in kleur te drukken, brak in de eerste jaren van de vorige eeuw een rage uit die ‘postcarditis’ werd genoemd, en die nog versterkt werd door een tariefverlaging en het intrekken van het verbod op het schrijven van tekst op de adreszijde van een ansicht. In het jaar 1908 werden in de Verenigde Staten 667 miljoen kaarten verstuurd, waarvan de meeste uit Chicago en New York, de steden met de spectaculairste wolkenkrabbers.

Een keuze uit de misschien wel miljarden kaarten die tussen 1880 en 1980 vanuit New York werden verstuurd, is bijeengebracht in het hebberigmakend uitgegeven boek New York in Postcards. Een paar honderd kaarten uit de verzameling van de Zwitserse architect-verzamelaar Andreas Adam werden verdeeld over vijftien thematische hoofdstukken, van ‘Greetings from New York’ (met de typische toeristenkaarten vol gebouwen in de vorm van letters) tot ‘Artists’ Interpretations’ (met onder meer het beeldschone Flatiron in the Winter van een anonieme fotograaf uit 1910). Het resultaat is volgens de samensteller ‘zowel een architectuurgeschiedenis als een geschiedenis van de manieren waarop er naar New York gekeken is.’ Je had ook kunnen spreken van ‘het mooiste fotoboek over New York ooit’, ware het niet dat tegelijkertijd het anderhalf keer zo grote koffietafelboek New York, Portrait of a City bij uitgeverij Taschen verscheen: een tentoonstelling in boekvorm van het werk van 150 fotografen sinds het midden van de 19de eeuw.

Het aantal doublures in de twee precies even dikke boeken is minimaal – ook al omdat er in het prentbriefkaartenboek betrekkelijk weinig foto’s van beroemde fotografen staan; misschien waren ze te duur voor de producenten van de kaarten, misschien voor de makers van het boek. Het geeft New York in Postcards in elk geval een licht en verrassend aanzien. Een goed voorbeeld is de ingekleurde laat-19de-eeuwse foto van de binnenplaats van een huurkazerne, met nogal wat was aan de lijnen. In het Taschenboek is hij perfect afgedrukt met een kleine uitleg over de vaste wasdag van de immigranten in de Lower Eastside. In het ansichtenboek staat hij op de voorkant van een kaart met de handgeschreven tekst ‘This is where I hang out.’ Dat laatste heeft dan weer een serieuze parallel in de tekst op een kaart van Wall Street die een Duitse immigrant naar zijn familie stuurde: ‘Hier habe ich mein Vermögen gemacht.’

Natuurlijk illustreren beide fotofolianten de geschiedenis van Manhattan in de 19de en 20ste eeuw, te beginnen met het ‘1811 Grid’, dat het gebied tussen de 14de en de 155ste straat in een rasterstelsel verdeelde (‘een beteugeling van de wildheid van New York’ volgens Postcards; ‘een skelet waar vlees op kwam’ volgens Portrait). Waarna er spectaculaire beelden volgen van de hoogbouwactiviteiten (Vrijheidsbeeld, Brooklyn Bridge, Chrysler Buiding, WTC), de infrastructuur (haven, metro, wegenbouw) en het dagelijks leven (sloppen, hotdogkarretjes, misdaad, maar ook de beroemde foto van 19de- eeuwse schaatsers in Central Park voor het net gebouwde Dakota Building). In Postcards ontbreken overigens de prachtige gietijzeren gebouwen in SoHo, aangezien die heel lang als lelijk golden en dus als niet interessant voor de toeristen. Om min of meer dezelfde reden kom je in het boek ook weinig mensen tegen.

Over ontbreken gesproken: ‘change, adapt, and reinvent’ is volgens de samenstelster van Portrait, Reuel Golden, de essentie van New York. En dus werd er behalve gebouwd ook gesloopt bij het leven. De slachtoffers zijn in al hun glorie bewaard op de anonieme ansichten en op de foto’s van Feininger, Eisenstadt en anderen: het neoclassicistische Penn Station (opgeleverd in 1910, afgebroken in 1963), het oude Waldorf-Astoria Hotel (vervangen door het Empire State Building), het art-decopaleis Savoy- Plaza aan Central Park (1927-1964), het robuuste Gillender Building dat in 1910 de eerste wolkenkrabber was die voor de bouw van een andere moest wijken. Met de Twin Towers erbij tel je meer dan 30 verdwenen hoogbouwmonumenten. Het is een wonder dat er genoeg overbleven om het Nationaal Wolkenkrabberpark te vullen.

Je blijft bladeren, én kijken. In Postcards ook naar de parodieën (Lady Liberty danst met de Eiffeltoren, het Empire State als kerstcadeau) en de sepia uitklapkaarten van de skyline die uitvouwbaar zijn gereproduceerd. In Portrait ook naar het beeldverhaal van de ontwikkeling van de fotografie: eerst het zwart-wit van de pioniers in de foto van Broadway anno 1860 (met de eerste file); dan de ingekleurde stereoscopieën van Lower Manhattan; dan het eerlijke zwart- wit van Jacob Riis in zijn spreekwoordelijk geworden fotoreportage How the Other Half Lives (1890); dan de experimentele fotografie van Edward Steichen, die het Empire State Building in 1932 met behulp van spiegeleffecten als een omgekeerd gordijn afbeeldde; dan de eerste echte kleurenfoto’s uit de jaren dertig; en ten slotte de mode- en kunstfoto’s van na de oorlog. De cliché geworden foto (1960) van William Claxton van een appel op een vensterbank met daarachter de skyline van The Big Apple vormt een mooi beeldrijm met Andy Warhols hoesontwerp voor de eerste plaat van de typisch New-Yorkse rockband Velvet Underground and Nico (‘de elpee met de banaan’).

‘Iconic images’ noemt Golden de foto’s in Portrait of a City. En dat is geen grootspraak. Net als de beeldschone ansichten uit New York in Postcards zijn het bidprentjes. Bidprentjes voor de cultus van wat wel is aangeduid als ‘een gigantische 20ste-eeuwse versie van Mont Saint-Michel.’