tijdschrift

Behalve om het thema ‘schaamte’ draait het in De Gids om twee schrijvers: de Oostenrijker Robert Menasse en de in 2000 overleden Surinamer Edgar Cairo. De stukken van zowel Michiel van Kempen als Dirk van Weelden lezen als hartstochtelijke pogingen om het werk van Cairo de aandacht te geven die het verdient. Mooi is het relaas van Van Kempen waarin hij vertelt over zijn eerste ontmoetingen met Cairo zo’n twintig jaar terug, toen de schrijver en dichter ‘volslagen mesjogge’ leek te zijn. Met een welgemeend ‘Huil Suriname, want zo’n zoon wordt op jouw achtererven maar eens in een eeuw geboren’ sluit Van Kempen zijn stuk af, waarmee hij zowel het talent als de eenzame dood die Cairo stierf, recht doet.

Menasse is een graag geziene gast in literaire tijdschriften. Na een korte inleiding van vertaler Paul Beers volgen twee ‘stukken’ van Menasse, waarvan het uit zijn verhalenbundel Ich kann jeder sagen afkomstige ‘Inzicht komt voor de val’ superieur is. Aan het woord is een voormalige student filosofie van de generatie ’68 die een baan als winkelbeveiliger aan moet nemen en daarna politieagent wordt: ‘Toen ik politieman werd, rekende ik erop nu door mijn oude vrienden veracht en gemeden te worden. In feite echter werd ik door de helden van de studentenopstanden van 1968 al bij het tienjarig jubileum gehuldigd als voorbeeld dat de mars door de instituties in Oostenrijk bijzonder geslaagd was.’ Bij Menasse lonkt het warme bad der berusting onopvallend maar geduldig.

De Gids no. 7. AAB, € 9,50