Tegen de dreigende opheffing van het cultuurbeleid!

Jaren van politieke desinteresse voor de kunst hebben de weg gebaand voor de historische en onberedeneerde aanval die VVD en CDA nu op het Nederlandse kunstleven hebben ingezet. Dat er bezuinigd moet worden is treurig, maar dat het zonder enig beleid gebeurt, is rampzalig, aldus MAARTEN ASSCHER

Nederland - Drenthe - 22-01-2008 Staatsbos in de omgeving van Gieten. Een gebleste boom , gekenmerkt door een stip van een spuitbus. Ilustratie bij verhaal Koos van Zomeren. Foto: Sake Elzinga

Wat er ook voor parallellen getrokken kunnen worden tussen de PVV en de LPF, op het terrein van het cultuurbeleid gaat de vergelijking in elk geval mank. De tijden waarin wij nu met het door Wilders gedoogde kabinet-Rutte beland zijn, zijn totaal onvergelijkbaar met de jaren 2002/2003, toen de LPF zich in de cultuurpolitiek manifesteerde. Het enigszins simpele, maar niet onsympathieke motto waarmee LPF-staatssecretaris Van Leeuwen in het najaar van 2002 zijn gedachtegang omtrent een toekomstig cultuurbeleid samenvatte luidde: ‘Meer cultuur voor meer mensen’. Bij het kabinet-Rutte staat thans het omgekeerde op de toekomstagenda: ‘Minder cultuur voor minder mensen.’

Dat zal de onvermijdelijke consequentie zijn van de aangekondigde belastingverhoging op toegangskaartjes voor concerten, theatervoorstellingen en de verkoop van kunstvoorwerpen. Daarbovenop volgt de komende jaren 200 miljoen aan bezuinigingen in de sectoren toneel, opera, dans, muziek, film en architectuur. Aangezien het totale bedrag aan rijkssubsidies op die terreinen thans ongeveer 430 miljoen bedraagt, betekent dat een korting van meer dan 45 procent, nog afgezien van de aangekondigde opheffing van het Muziekcentrum van de Omroep. En dan hebben we het nog niet over de gevolgen van andere voorgenomen bezuinigingen voor provinciale en gemeentelijke cultuurbegrotingen (denk aan theaters en openbare bibliotheken). Nog nooit in de geschiedenis van het Nederlandse overheidsbeleid op het terrein van de kunsten heeft de overheid kunstenaars en hun publiek zo grootscheeps in de steek gelaten. En nog nooit heeft een pakket aan bezuinigingsmaatregelen zo’n woeste, willekeurige en ondoordachte indruk gemaakt.

In de halve eeuw die achter ons ligt is de hoofdstroom van het kunstbeleid constant geweest. Wel vonden er door de jaren heen accentverschuivingen plaats: na het ‘welzijnsmotief’ in de jaren zestig en de ‘maatschappelijke relevantie’ van de jaren zeventig werd in de jaren tachtig, tijdperk van economische crisis en deregulering, de kunstensector geherstructureerd en werden door de overheid functies verzelfstandigd. Tegen het einde van de twintigste eeuw bepaalden cultureel ondernemerschap en het integratievraagstuk de cultuurpolitieke agenda. Maar ondanks de wisselende terminologie op de verpakking van het beleid, bleef de waarde van de inhoud in de afgelopen decennia ongeveer dezelfde, zo rond de 0,7 procent van de rijksbegroting. In het in 2002 verschenen overzichtswerk Cultuurbeleid in Nederland kon nog worden vastgesteld dat de cultuur in Nederland „nooit aanleiding heeft gegeven tot diepgaande politieke conflicten. In brede kring bestond en bestaat consensus over de legitimiteit van overheidssteun voor de cultuur.”

Met andere woorden: wat het kabinet-Rutte nu aan lastenverzwaring en bezuinigingstaakstelling voor de culturele wereld in Nederland in petto heeft, is nooit eerder vertoond. Zowel door de financiële omvang van de maatregelen als door het ontbreken van iedere argumentatie of overleg met de sector betekent dit een historische breuk met een langjarige en consistente traditie van betrokkenheid en beredeneerde bemoeienis van de overheid met de wereld van de kunsten.

Deze historische breuk leidt tot vijf vragen:

1 Hoe heeft het zover kunnen komen?

De vier kabinetten die Balkenende tussen 2002 en 2010 leidde, waren in cultureel opzicht tamelijk geestloos. Het cultuurbudget bleef weliswaar op peil, maar van een inhoudelijke visie vanuit Den Haag op de betekenis van kunsten, erfgoed en letteren was nauwelijks sprake. Het cultuurbeleid is in die jaren door de overheid steeds verder op afstand geplaatst, met als gevolg een afnemende betrokkenheid van de politiek bij de kunst. De politieke en de culturele wereld zijn in de voorbije jaren verder uit elkaar gegroeid dan voorheen. Cultuur is in Nederland een specialisme geworden of, zoals sommige populisten het tendentieus noemen, een ‘hobby’. Politiek en ambtelijk Den Haag heeft kennelijk geen idee van de totale impact die de nu voor het regeerakkoord bij elkaar gesprokkelde maatregelen op cultuurgebied zullen hebben.

2 Waar gaan de grootste klappen vallen?

De pijnlijkste gevolgen zullen, zoals altijd, op de zwakste plekken te voelen zijn, zoals cultuureducatie, wijkvestigingen van de bibliotheek, de eigen programmering van schouwburgen op het terrein van toneel, dans en muziek, zondagochtendconcerten door de orkesten van het Muziekcentrum van de Omroep, enzovoort. Substantiële prijsverhogingen liggen in het verschiet. Het kapitaalkrachtige publiek zal zich wel weten te redden, maar voor scholieren, jongeren, minima en de modale inkomens worden cultuurvoorzieningen erg duur. Theaters en concertzalen zullen een stijl van luxe ‘skyboxen’ en arrangementen moeten ontwikkelen, om meer sponsors en een gevestigd publiek aan zich te binden.

3 Wie is verantwoordelijk voor deze culturelekaalslag?

Voor de maatregelen uit het regeerakkoord dragen de coalitiepartijen VVD en CDA de volle verantwoordelijkheid. Het is onzin om enkel Wilders hiervan de schuld te geven. Niet alleen Rutte en Verhagen, ook voormalige burgemeesters als Opstelten en Leers, die zich in een vorig bestuurlijk leven graag als hoeder en bondgenoot van het culturele leven in ‘hun’ stad manifesteerden, leveren door kabinetsdeelname hun persoonlijke aandeel aan deze historische aanslag op het Nederlandse kunstleven.

4 Wat staat de culturele wereld nu te doen?

In de afgelopen weken is er door kunstenaars en vertegenwoordigers van de cultuursector geschreeuwd, als protest tegen de aangekondigde bezuinigingsplannen. Dat er op 20 november slechts 100.000 mensen aan het landelijke protest deelnamen, geeft aan dat de werkelijke gevolgen van de aangekondigde maatregelen nog lang niet tot iedereen zijn doorgedrongen. Het is nu aan de culturele wereld om in actie te komen, bovenal voor het behoud van een hoogwaardig, gevarieerd en toegankelijk openbaar kunstleven. Bezuinigen is onvermijdelijk, maar dan op grond van beleid en weloverwogen keuzes, dat moet de boodschap zijn.

5 Wat ga ik zelf doen?

Als de VVD en het CDA, om welke redenen dan ook, van plan zijn om het kunstleven in Nederland zulke grote schade te berokkenen, dan is het zaak om die partijen en alle personen die daaraan hun steun verlenen, onomwonden op hun verantwoordelijkheid voor de gevolgen te wijzen. Ministers, staatssecretarissen, leden van de Eerste en Tweede Kamer, topambtenaren, gedeputeerden, wethouders, partijbestuurders, partijleden, gemeenteraadsleden: het wemelt in Nederland van de VVD- en CDA-mensen met een partijpolitieke pet op die medeverantwoordelijkheid dragen voor wat hun partij nu in Den Haag aan het doen is. Of het nu vrienden zijn, collega’s, medebestuurders, volksvertegenwoordigers, buren, studiegenoten of docenten, zij moeten op die medeverantwoordelijkheid worden aangesproken. Bij iedere individuele VVD’er en CDA’er die ik ken ga ik bezwaar maken tegen de dreigende afschaffing van het Haagse cultuurbeleid, tegen het onbeargumenteerd opblazen van grote delen van het Nederlandse kunstleven.

Er dient normaal met de cultuursector overlegd te worden over een redelijke bijdrage van die sector aan de noodzakelijke bezuinigingen op de overheidsfinanciën en over flankerende maatregelen die onderdelen van die sector binnen afzienbare tijd minder subsidieafhankelijk moeten maken. Iedere regering, hoe rechts ook, behoort een cultuurbeleid te voeren. Blinde bezuinigingsdrift is die naam onwaardig.

MAARTEN ASSCHER

Directeur van de Athenaeum Boekhandel in Amsterdam. Van 1998 tot 2003 was hij Directeur Kunsten op het ministerie van OCW. Dit artikel is geschreven op persoonlijke titel.

Dit is de eerste in een reeks ‘pamfletten tegen de kaalslag’.