Sporter gaat steeds meer op een gewone werknemer lijken

Steeds meer profsporters krijgen hun eigen arbeidsvoorwaarden. Na de wielrenners zijn de schaatsers aan de beurt.

Had Yuri van Gelder het recht op uitoefening van zijn sport kunnen claimen als een cao voor beroepssporters zou hebben bestaan? Waarschijnlijk wel, want dan zou zijn beschreven hoe de turnbond met dopinggerelateerde kwesties moet omgaan. De ringenspecialist zou vrijwel zeker beter zijn beschermd dan vorige maand bij zijn verwijdering uit de WK-selectie wegens hernieuwd cocaïnegebruik.

De Van Gelders van de toekomst wacht een nettere behandeling nu de sportersvakbond NL Sporter en de WOS, de werkgeversorganisatie in de sport, voorbereidingen treffen voor cao’s voor bijna 5.000 beroepssporters. Het eerste resultaat is al tastbaar, want na de spelers in het betaald voetbal hebben sinds kort ook de profwielrenners een cao. Voor schaatsers is er één in de maak, hoewel het met de onderhandelingen niet erg wil vlotten.

Afspraken over arbeidsvoorwaarden zien NL Sporter en de WOS als een logische ontwikkeling, omdat de sporters intussen als een beroepsgroep worden gezien. En bij die ontwikkeling hoort volgens beide organisaties een fatsoenlijke collectieve arbeidsovereenkomst.

Een nobel streven, met veel praktische complicaties. Want geen sport is gelijk en een sporter is zelden alleen. Hij of zij heeft ook te maken met de bond of de club en bij uitzending naar de Olympische Spelen met sportkoepel NOC*NSF. Om maar te zwijgen over de rol van managers en spelersmakelaars. „Daardoor is er jarenlang naar elkaar gekeken en gebeurde er in arbeidsrechtelijke zin niets”, zegt Eric Lankers, arbeidsjurist bij de WOS. „Maar een land dat een olympisch niveau nastreeft, dient de arbeidsvoorwaarden voor zijn sporters goed geregeld te hebben. En dat is nu niet het geval. Veel sporters bouwen geen pensioen op, zijn slecht verzekerd of krijgen onder het minimumloon betaald.”

Een overleggroep van NL Sporters en de WOS, waarbij onder meer NOC*NSF, haar atletencommissie en de vakcentrale FNV zijn betrokken, heeft onlangs een convenant opgesteld als raamwerk voor toekomstige cao’s. Daarin staat over welke zaken ten minste afspraken gemaakt moeten worden. Bijvoorbeeld de pensioenopbouw, maar ook de loopbaanregeling, verzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid en ziektekosten, de arbeidsrechtelijke consequenties van doping en hoe om te gaan met de flexwet en portretrechten.

Een arbeidsovereenkomst voor sporters wordt geen cao met salarisafspraken. De enige eis wordt dat ten minste het wettelijke minimumloon betaald moet worden. Evenmin zullen alle andere zaken tot achter de komma geregeld worden, omdat de meeste sporten sterk verschillen. Een hockeyer is niet te vergelijken met een basketballer. Het is de bedoeling dat in de afzonderlijke cao’s specifieke afspraken per sport worden gemaakt. „We willen pertinent niet dat cao’s als een juk worden gevoeld”, zegt Lankers van de WOS.

Waar het belang voor de sporter bij een cao evident is, kan een werkgever zich bijvoorbeeld beschermen tegen de flexwet. De cao voor wielrenners was er indirect het gevolg van. De schrik bij wielerploegen zat er goed in toen de renner Thorwald Veneberg in 2007 bij de Rabo-ploeg niet voor contractverlenging in aanmerking kwam en met succes een beroep deed op de flexwet. De regel is dat een contract na minimaal drie jaar kan worden omgezet in een vast dienstverband voor onbepaalde tijd. Vooral clubs op laag niveau, waar sporters een relatief lage vergoeding krijgen, zijn daarover onwetend. Die zien zich niet als werkgever en schrikken van de gevolgen van de flexwet.

Adam Bakker, bestuurslid van NL Sporter en lid van de overleggroep, beseft dat de grote resultaten nog geboekt moeten worden. Maar hij ziet lichtpuntjes. Bijvoorbeeld de bereidheid van één commerciële schaatsploeg om over een cao te onderhandelen; minimaal in een veld van een tiental merkenteams, erkent Bakker, maar wel weer een stapje voorwaarts.

Het optimisme van NL Sporter en de WOS kan nog verstoord worden als het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) de subsidie van 200.000 euro voor een uitwerking van het cao-raamwerk uit bezuinigingsoverwegingen blokkeert. Beide organisaties kunnen de kosten voor onderhandelingen en uitwerkingen van cao’s niet dragen en zijn afhankelijk van die bijdrage. Maar zekerheid of minister Edith Schippers de toezegging van haar voorganger gestand zal doen hebben NL Sporter en de WOS nog niet.

Bakker kan zich echter geen doemscenario voorstellen, omdat het ministerie het cao-traject met een aanloopsubsidie van 40.000 euro mede in gang heeft gezet. Een financiële tegenslag zal de strijdvaardigheid van de vakbondsman niet temperen. Bakker: „We maken ons zorgen over de subsidietoewijzing. Maar links- of rechtsom, we gaan door met ons werk.”