Sms'jes uit het riet

Daan Roosegaarde mixt kunst, design, mode, architectuur met de nieuwste digitale technieken. Maar het gaat hem om meer dan de laatste interactieve snufjes. „Mijn werk heeft in eerste instantie een sociale functie.”

Daan Roosegaarde. Foto Studio Roosegaarde t.b.v. publiciteit Daan Roosegaarde

Op de dijk langs de Maas, bij de Watertorenweg in Rotterdam, staat het digitale riet zachtjes te gloeien in de schemering. Het witte licht gaat als de ademhaling van een slapend lichaam regelmatig op en neer. Als we dichterbij komen, beginnen de witte plastic punten van de zwarte stengels op te lichten, alsof het riet wakker wordt. Als ik er met mijn hand overheen strijk, breng ik een vloeiende lichtgolf teweeg; ik klap in m’n handen en krijg een nerveuze bliksemschicht als respons. De stengels tikken tegen elkaar en produceren een blikkerig geluid als het tsjilpen van krekels. Vanaf het donkere water van de rivier beneden ons stijgt het zware kaboenk-kaboenk op van de scheepsmotor. Als twee idioten rennen we roepend en klapwiekend over de dijk, op de hielen gevolgd door het geflits en gesnater van het riet.

Dit is Dune, het bekendste werk tot nu toe van Daan Roosegaarde (31). Van Dune bestaan inmiddels ten minste 25 exemplaren – de precieze tel is hij kwijt – op diverse plekken over de hele wereld. De eerste keer dat ik het kunstwerk zag was op een expositie van interactieve kunst in het Victoria & Albert Museum in Londen. Toen was de entree aan beide zijden met riet ‘beplant’. Het was betoverend – maar hier buiten, opgenomen in het grote landschap van water en stadsrand, spreekt het nog meer tot de verbeelding. Zestig meter Dune gebruikt de elektriciteit van een halve straatlantaarn. ‘Poëtische technokunst’, noemt Roosegaarde het.

Het gaat hard met Roosegaarde en zijn interactieve projecten waarin hij kunst, design, mode, architectuur, digitale technologie en materiaalonderzoek met elkaar verweeft. Zelf is hij broodmager, schijnbaar onvermoeibaar, zo iemand bij wie je je afvraagt waar de uitknop zit – en of er überhaupt één is.

Vorig jaar won hij de Dutch Design Award van de Eindhovense Design Week voor het ‘beste autonome design’ met Flow 5.0 , een vier meter hoge structuur van ledbuizen die op geluid en beweging reageren. Veel van zijn werken krijgen serienummers – Flow 5.0, Liquid Space 6.1 – die doen denken aan software met telkens een nieuwe update.

Zijn werk is op de meest uiteenlopende plekken te zien geweest, van Tate Modern in Londen tot het Haagse stadhuis, het Nationaal Museum in Tokio tot Oerol, de Central Academy of Fine Arts in Peking tot de Maastunnel – daar stond Dune als onderdeel van de Internationale Architectuur Biënnale. Van de twaalf medewerkers die zijn studio telt, is er één alleen maar met expeditie bezig.

„Ik wil uit de enclave van de mediakunst, de wereld in”, zegt Roosegaarde. In zijn nieuwe boek Interactive Landscapes zegt hij: „Ik heb altijd werken willen maken die zowel op een technofeest op hun plek waren als in Museum Boijmans.”

Naarmate Roosegaarde bekender wordt, worden de projecten en de opdrachten steeds groter. Samen met architect Bjarne Mastenbroek van het bureau SeARCH werkt hij aan een ontwerp voor de uitbreiding van het Wagner Museum in Bayreuth – ze staan op de shortlist. Voor een modeketen in Hongkong ontwikkelt hij een gevel van tienduizend vierkante meter groot van een materiaal dat op passanten reageert. Nespresso heeft hem benaderd, voor wat precies kan hij nog niet zeggen. Een museum in Lille wil tien exemplaren van het werk Intimacy, dat hij heeft ontworpen samen met modeontwerpers Maartje Dijkstra en Anouk Wipprecht en dat in het Centraal Museum in Utrecht is getoond. Het bestaat uit stroken kunststof dat soms doorzichtig is en soms melkachtig, afhankelijk van de afstand tussen drager en kijker. De technologie letterlijk als een tweede huid.

De opdrachten komen nu voor 80 procent uit het buitenland, zegt hij, vooral Azië. „Singapore wil zijn uiterwaarden die voor waterberging zijn vrijgehouden als interactieve publieke ruimte inrichten. We gaan voor twintig plekken rond de stad voorstellen doen. Saoedi-Arabië wil een duurzame snelweg die zelf energie produceert. Europa? Hier kun je onderzoek doen, maar het toepassen ervan gebeurt allemaal elders.”

Binnenkort gaat hij een tweede studio in Shanghai openen. „Ik hou ervan onderweg te zijn. Ik voel me merkwaardig genoeg thuis op vliegvelden; ik doe mijn beste werk in het vliegtuig.” De studio in Waddinxveen zorgt ervoor dat de deadlines worden gehaald en dat hij zijn gedachten vrij kan laten gaan. „Mijn taak is om out there te zijn.”

Vanaf de Maas rijden we door donkere polders naar de studio, in een loods op een bedrijventerrein in Waddinxveen. Het is er doodstil op deze koude zondagavond. „Dat had ik net nodig”, zegt Peter de Man. Als hoofd software en interactie is hij bezig met het nieuwe kunstwerk, een familie van interactieve lichtobjecten in verschillende maten voor autistische kinderen in de GGZ in Breda – een opdracht van de Stichting Kunst en Openbare Ruimte (SKOR). Als je in de buurt komt, beginnen ze op te lichten; als je ze aanraakt of zelfs omhelst veranderen ze van kleur en lichtintensiteit en maken ze geluid. „Het kunstwerk moet respons geven zonder de kinderen aan het schrikken te maken”, legt De Man uit. „Om het geluid goed te kunnen uitproberen had ik stilte nodig.”

De studio deelt de loods met het bedrijf Axis Stuifmeel, dat de kunstwerken assembleert. Roosegaarde: „We maken alles zelf – de sensoren, de onderdelen, de software. Die zijn voor ons wat verf is voor een schilder, we moeten zelf de controle houden. Bovendien ben ik veel op reis, en als ik in Nederland ben wil ik heel geconcentreerd kunnen werken.” Niet voor niet is zijn lijfspreuk: ‘Home is where the laptop is’.

Roosegaarde wil niet alleen digitale kunstwerken bedenken, maar ook maken én onderhouden. De studio levert zijn klanten een full service package, zegt hij. Het onderhoud is ingecalculeerd en het werk wordt ontworpen om zoveel mogelijk ‘hufterproof’ te zijn. Van Dune bijvoorbeeld liggen er in de werkplaats in Waddinxveen vervangende modules alvast klaar; als er iets stuk is wordt het zo snel mogelijk gerepareerd. Het riet is ook zo geprogrammeerd dat het zijn makers elke week een sms stuurt over zijn welzijn: hoeveel stemmingen er doorheen zijn gewaaid, hoeveel passanten er zijn geweest, of er iets kapot is.

De helft van zijn medewerkers houdt zich bezig met de ontwikkeling van software en elektronica, de anderen met nieuwe modellen en materialen. Roosegaarde gaat voor naar de toiletruimte, waar in de grote wasbak een interactieve folie wordt getest. „We hebben een kunstwerk gemaakt, Lotus, een gebogen wand van driehoekjes van zilverkleurige folie, dat reageert op de warmte van je handen en gaat opkrullen. Daaronder zie je dan een warm gloeiend licht, als een kolenvuur. Nu heeft een Engelse klant gevraagd om een hele interactieve ruimte. We gaan kijken of we van diezelfde folie een koepel kunnen maken waarin je kunt lopen en staan. Die laten we bewegen door warm en koud water door de structuur te laten lopen.” Bij wijze van proef hebben ze een klein staketsel van buizen op de warme en koude kranen aangesloten – en inderdaad, de folie beweegt op commando op en neer.

Goed, het werkt. Maar wat dan nog? Heeft dit diepere betekenis dan als etalage voor nieuwe wondermaterialen? Gaat het Roosegaarde erom een door technologie ingegeven esthetische ervaring op te roepen? Is dat genoeg om tot dieper inzicht te komen in de relatie tussen ons en de digitale techniek die in steeds meer aspecten van ons leven doordringt?

„Mijn werk heeft in eerste instantie een sociale functie”, zegt Roosegaarde. „Het bestaat bij gratie van technologie, maar die zie je niet. De sensoren, de luidsprekers, de algoritmen – onzichtbaar. Ik wil kunst maken die de invloed van technologie op ons leven laat zien, niet de technologie zelf. Daarom zit er in het nieuwe boek een how to-pagina waarin van ieder kunstwerk wordt uitgelegd hoe het in elkaar zit. Ik wil de techniek juist niet mystificeren.

„Onze verhouding tot technologie zit mij nu te veel in de sfeer van gadgets als de iPhone en de iPad. Ik wil het idee van interactie losmaken van een product. Mijn werk kan ervoor zorgen dat de digitale wereld persoonlijker wordt. De cruciale vraag is of de technologie ons meer mens helpt worden.”

In een van de interviews in het boek heeft hij het over het individu en het netwerk: „De focus is nu meer op connectivity en het bouwen van netwerken dan van een geïsoleerde manier van leven. Ik ben benieuwd naar wat er gebeurt als de technologie de sprong uit het beeldscherm maakt en wordt opgenomen in onze muren, onze lichamen, onze stedelijke landschappen.” Zijn nieuwste plan is om scheikundige ingenieurs uit te nodigen om in de studio samen te werken. „Ik zou graag leren om werken te laten groeien in plaats van ze alleen te bouwen.”

Het steekt hem dat sommige mensen zijn werk als decoratief afdoen. „Dat zijn mensen die met de fax zijn opgegroeid. Die kritiek begrijp ik eigenlijk niet: bij mijn kunstwerken gaat het net zozeer om hoe ze zich gedragen als om hoe ze eruitzien. Het is niet zo dat iets wat er goed uitziet per definitie geen inhoud heeft. De esthetiek is een poort om mensen doorheen te lokken, om ze van toeschouwer deelnemer te maken.”

Heeft die argwaan misschien te maken met zijn commercieel talent? Hij haalt zijn schouders op, dat moet ik hem niet vragen. „Het is niet erg om dingen te vermarkten mits je tijd en ruimte houdt om nieuw, inhoudelijk artistiek onderzoek te doen. Toepassing is in de kunst een vies woord geworden, maar ik wil juist het publieke domein opzoeken en met oplossingen komen.

„Van mij mag dat valse sentiment over kunst eruit. Dit is gewoon een bv, die dankzij de eigen niche ook eigen onderzoek kan doen. Kunst heeft veel te lang in het verdomhoekje gezeten, zich in het subsidiegat laten vallen. Kunst heeft geen eigen economie, ze vraagt de overheid om ondersteuning. Als ik alleen al naar de wereld van de e-cultuur kijk, is het bizar hoeveel geld er voor promotie aan de strijkstok blijft hangen. Het praten wordt beter beloond dan het doen, dan het vakmanschap. Ik vind de kunstwereld heel defensief. Ik wil mijn eigen broek ophouden en de wereld bestoken met mijn werk en mijn onderzoek laten zien. Wij hebben soms subsidie gekregen voor het ontwikkelen van prototypes, maar daarna moet de markt het doen.”

Daan Roosegaarde, ‘Interactive Land-scapes’, NAi Uitgevers, 160 blz., ISBN 978-90-5662-754-6. € 29,90