Opa is oppas: meer kleinkinderen

De mate waarin grootouders op de kleinkinderen passen, kan gevolgen hebben voor de instandhouding van de menselijke soort. Uit onderzoek van de sociologen Fleur Thomése en Ralf Kaptijn van de Vrije Universiteit, dat onlangs is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Human Nature , blijkt dat opa’s en oma’s die veel oppassen, acht jaar later meer kleinkinderen hadden dan grootouders die zelden tot nooit oppassen.

De onderzoekers spraken 182 stellen die grootouders zijn. Zij hadden samen 265 kinderen en één of meer kleinkinderen. Van de grootouders die ‘veel’ oppasten, bleek acht jaar later 66 procent één of meer kleinkinderen erbij te hebben gekregen. Van de grootouders die ‘weinig’ oppasten, bleek acht jaar later maar 35 procent één of meer kleinkinderen erbij te hebben gekregen. Wel is het zo dat ‘veel’ en ‘weinig’ in dit onderzoek geen objectieve begrippen zijn – de grootouders werd alleen gevraagd of ze ‘veel’ of ‘weinig’ oppassen.

Volgens de onderzoekers treedt het effect van oppassen op de vruchtbaarheid vooral op bij gezinnen met werkende moeders. Moeders die werken, zegt onderzoeker Thomése desgevraagd, kunnen blijven werken dankzij de inspanningen van opa en oma. De verschillen zijn groot: sommige grootouders passen één dag in de week op, andere één keer per kwartaal.

In Noord-Europa passen overigens méér grootouders op dan in Zuid-Europa. Maar ze doen het minder frequent. In Zuid-Europa passen grootouders meteen een paar dagen per week op.

Nederlandse vrouwen krijgen anno 2010 gemiddeld 1,7 kinderen. De gemiddelde leeftijd waarop ze het eerste kind krijgen, is 29 jaar. Voor hoog opgeleide vrouwen is die leeftijd gemiddeld 34 jaar. Volgens vele onderzoeken is een belangrijke oorzaak voor dat late moederschap dat vrouwen problemen verwachten bij het combineren van werk en zorg.