Op zee-jihad naar het Westen

Roof op volle zee vereiste vroeger sanctionering van overheidswege. Algiers en Tunis deden goede zaken. Eén miljoen Europeanen verdwenen in de 17de eeuw, aldus Auke Hulst.

Corsairs van Barbarije, piraten uit Afrika, vallen een Spaans schip aan, geschilderd door Willem van de Velde de Jonge (1633-1707). Bridgeman/Alinari Archives Barbary Pirates Attacking A Spanish Ship, painted by Willem van de Velde, private collectionVelde, Willem van de1660-1707 ca.Europe - Private Collection

Adrian Tinniswood: Pirates of Barbary. Jonathan Cape, 352 blz. € 28,-

Wie aan piraten denkt, heeft twee beelden voor ogen. Het eerste is dat van Somaliërs die vanuit kleine bootjes immense tankers overmeesteren om miljoenen aan losgeld los te peuteren. Het tweede is het romantische beeld van de Caraïbische vrijbuiter: de 17de-eeuwse rebel die aan geen vlag gebonden is, en – als we even de ogen sluiten voor zijn misdaden – een lichtend baken is van progressieve ideeën over persoonlijke vrijheid, homorechten en democratie.

Voor historische lessen waaraan we nu nog wat hebben zijn we bij dit soort rock ‘n’ roll- sterren aan het verkeerde adres. Eerder, zo suggereert de Britse historicus Adrian Tinniswood in zijn boek Pirates of Barbary, Corsairs, Conquests and Captivity in the 17th-Century Mediterranean, kunnen we leren van de geschiedenis van een minder besproken, maar veel grootschaliger soort piraterij: die van de corsairs van Barbarije.

De Noord-Afrikaanse kust was, vanaf het einde van de 16de tot het begin van de 18de eeuw, een piratennest. Ze waren maar tot op zekere hoogte vrijbuiters. ‘Roof op volle zee’, schrijft Tinniswood, ‘was verre van een private zaak. [...] Er lag een verfijnd systeem van door de staat gesanctioneerde en gereguleerde misdaad aan ten grondslag, een vroeg en effectief voorbeeld van een publieke-private onderneming.’ In die zin had het meer weg van ‘privateering’ dan van piraterij. Overheden hadden deelnemingen in piratenschepen en incasseerden dividend in de vorm van geld, goederen en slaven. Vooral in de sterk gefortificeerde bolwerken Algiers en Tunis was zeeroof een onderdeel van financiële huishouding.

Veel piraten waren Europeanen die hun heil hadden gezocht in het Middellandse Zeegebied. Dit had politieke en economische oorzaken. Aan de praktijk van privateering, het onder licentie veroveren van schepen van concurrerende mogendheden, was door de Engelse koning James I een eind gemaakt. Spanje en Nederland, eveneens grootleveranciers van overgelopen piraten, hadden hun Twaalfjarig Bestand (1609- 1621) afgekondigd. Voor een bepaald slag zeeman was simpelweg geen brood meer te verdienen langs legale weg.

Duivelskapitein

Twee van de bekendste renegados waren de Engelsman John Ward, die zich zou bekeren tot de islam, en de Nederlander Simon Danseker, de Duivelskapitein. Tinniswood gaat uitgebreid op de twee in, maar heeft ook oog voor de ongelukkigen die gevangen werden genomen. Meer nog dan het verlies van schepen en goederen was het verlies aan mensen een probleem. In de 17de eeuw werden naar schatting 1 miljoen Europeanen als slaaf verkocht op de Noord-Afrikaanse markten. Niet alleen bemanningsleden van vrachtschepen, maar ook bewust geroofde kustbevolking. Murad Raïs, die in Haarlem geboren was als Jan Janszoon, reikte met zijn compacte, wendbare vloot tot Ierland en IJsland, waar dorpen werden leeg geveegd.

De persoonlijke verhalen geven Tinniswoods verhaal smaak, maar interessanter is de wijze waarop hij de politieke en religieuze context schetst. Een aantal elementen komt ons nog steeds akelig bekend voor.

Piraterij en het ongenuanceerd demoniseren van piraten werden mede mogelijk gemaakt door fundamenteel onbegrip tussen christendom en islam. De twee wereldreligies zagen elkaar als bedreiging en als het vleesgeworden kwaad. De wereld was in de collectieve gedachte verdeeld in Turken, met wie alle moslims werden bedoeld, en Franken, met wie moslims alle blanken bedoelden. Zowel Turk als Frank was een scheldwoord. In 1575 – nog voor de hoogtijdagen van de piraterij – schreef de Britse geestelijke Thomas Newton dat de Turken ooit zo geruststellend ver weg waren geweest. Maar nu stonden ze ‘voor de deur, gereed om onze huizen binnen te dringen’. Aan het begin van de 17de eeuw was de islam zelfs opgewaardeerd tot ‘the present terror of the world’. En de corsairs waren, in de woorden van James I, ‘the enemies of God and Man’.

Voor moslims gingen de corsairs juist voor in de strijd tegen een oprukkend en hypocriet christendom. Zoals de Algerijnse historicus Ahmad bin Mohammad Al-Maqqari schreef: ‘En er waren sommigen die op zee-jihad gingen en faam vergaarden.’ Voor een verduidelijking van dit perspectief had Tinniswood er goed aan gedaan om ook de verhalen van lokale piraten uit te benen, maar de eenzijdigheid van historische bronnen – vaak geschreven vanuit een Europees perspectief – zal dat moeilijk hebben gemaakt. En daardoor blijft ook in dit boek de moslim- corsair de ongrijpbare Ander.

Pirates of Barbary is bovenal een geschiedenisboek. Maar doordat de historische verschillen én overeenkomsten nogal in het oog springen, is het moeilijk niet aan het huidige Somalië te denken. Tinniswood maakt duidelijk dat de oplossing van het piraterijprobleem op het land ligt en niet op zee. Patrouilles zijn zowel in de 17de als in de 21ste eeuw uitgevoerd, met gering succes. Hetzelfde gold voor het betalen van losgeld, dat eerder stimulerend werkte.

Kolonisatie

Aan piraterij kwam pas werkelijk een eind toen de machtsverhoudingen begonnen te verschuiven en de elites van Algiers, Tunis en andere bolwerken zich gedwongen zagen tot betekenisvolle verdragen. De uiteindelijke doodsteek was de kolonisatie van de Noord-Afrikaanse kustgebieden. Zonder veilige uitvalsbasis konden, en kunnen, zeerovers weinig uitrichten.

Vóór die zwanenzang was piraterij al ingedamd door de faciliterende overheden te betalen – feitelijk een vergoeding voor gederfde inkomsten. Bij Somalië heeft dat weinig zin – de macht van de president reikt er niet verder dan de muren van zijn compound. Somalische piraten hebben juist een veilige uitvalsbasis door gebrek aan lokaal gezag. Een wezenlijk verschil met Barbarije, zo onderstreepte de Britse onderzoeker Martin Murphy in twee boeken uit 2009: Small Boats, Weak States, Dirty Money (Boeken, 31.07.2009) en Somalia, The New Barbary? Piracy and Islam in the Horn of Africa. Het stimuleren van een stabiele en economische levensvatbare staat zal uiteindelijk het antwoord op piraterij zijn.

Tinniswood ziet een duidelijke overeenkomst in de perceptie van Afrikaanse piraten, toen en nu. ‘Het blanke Westen beschouwt ze als de onverenigbare Ander. [...] Terwijl de oude piraten van Barbarije zichzelf omschreven als mujahidin op een zee-jihad [...], zagen de christenen hen als demonen die wereldheerschappij ambieerden; wanneer hedendaagse Somalische piraten zeggen dat de werkelijke bandieten diegenen zijn die hun visvoorraden leegplunderen en hun kustwateren vervuilen, trakteren we ze op betuttelende teksten en een slagschip.’ De oorzaak: ‘Een onderliggend racisme en een openlijker anti-islamitisch sentiment.’

Dat is wellicht te sterk uitgedrukt, maar niet zonder merites. Wat doen de piraten met hun miljoenen? Voor een deel wordt het geld geïnvesteerd in legitieme bedrijven en woningen in Nairobi, waar de huizenprijzen door piratengeld sterk gestegen zijn. Het is een teken dat het de Somaliërs niet per se om misdadige praktijken te doen is, maar dat ze roeien met de riemen – of beter: de mitrailleurs – die ze hebben.