Loslaten

Ik verdeel de wijn over onze drie glazen. Mijn vriendin neemt een slok en zegt: „Soms zie ik iets misgaan op mijn afdeling. Als ik weet hoe ik het moet oplossen doe ik dat, ook als het eigenlijk mijn probleem niet is. Het is vreemd: soms voelt het alsof ik de enige ben die het ziet.” Ze stopt omdat haar telefoon gaat. Het is haar werk. Het is negen uur ’s avonds. „Deze persoon zit nu in New York”, verklaart ze met de piepende telefoon in haar hand. „Het is midden op de dag voor hen. Ook al heb ik ze wel verteld dat ik met jullie zou gaan eten”, mompelt ze erachteraan. Dan neemt ze op.

Steeds als mijn vriendin praat maakt ze zich ongemerkt klein. Haar lichaamstaal zegt: ik probeer de wereld buiten te houden. Maar de wereld luistert niet. „Het komt niet door het werk”, zegt ze. „Ik hou van werken. Maar het lijkt alsof ik duizend verschillende taken heb en die allemaal tot een goed einde moet brengen. Laatst stond ik bij de metro met een bos tulpen. Door de mensenmassa knakte een van de bloemen, waarop ik begon te huilen. Toen dacht ik: ‘oké, mooi. Nu ben je dus gek aan het worden.’”

De andere vriendin zegt: „Ik raakte nooit nerveus als er even geen opdrachten binnenkwamen. Maar inmiddels wel. Als het nodig is werk ik elke avond door. Ik moet het strak houden, vasthouden, anders stort het in elkaar.”

Het is wellicht de combinatie van altijd bereikbaar zijn en plichtsbesef: moeite hebben met loslaten. Werk en privé lopen door elkaar, tijdens de reclame van het tv-programma bekijk je op de telefoon je mail en elk moment van de dag kan er iemand bellen. Steeds sterker is het gevoel dat je moet reageren, dat je dit ‘gewoon nog even móét doen’, ook al is het donderdagavond half tien, ben je net thuis en heb je nog niets gegeten. Het even laten is geen optie, evenals het vergeten of bedenken waarom het eigenlijk niet morgen kan.

Het heet ‘een groot verantwoordelijkheidsgevoel’ of wellicht ‘vlijtig en modern multitasken’, maar het lijkt vooral te gaan over grenzen die niemand meer duidelijk aangeeft.

Opeens lijkt alles even belangrijk. De hele dag bereikt een rivier aan communicatie je, die je bewerkt met Nog Te Doen-lijstjes en inboxtrucjes als sterretjes en ‘nog te beantwoorden’-groepen. En toch schiet me vaak als ik ’s avonds in bed lig opeens te binnen: ik heb dat ene mailtje nog niet beantwoord. Daar zou ik eigenlijk niet wakker van moeten liggen. Ik zou wakker moeten liggen van het feit dat ik daar ’s avonds, vlak voor het slapengaan blijkbaar over nadenk. En niet over schapen of een aflevering Futurama.

Als ik met vrienden ben, spreken we soms af om een telefoon- en internetloze avond te houden. Mailtjes wachten immers wel.

Renske de Greef