Iedereen is deze vrouw

Honderden keren beeldde Lucas Cranach de Oudere zijn favoriete meisje af. Deze ideale muze is gesmeed uit tientallen vrouwen, zo blijkt op een mooie tentoonstelling in Brussel.

Lucas Cranach de Oudere, 'Venus met Cupido als honingdief', 1531

Ze steekt af tegen het donker als de maan tegen een nachtelijke vrieslucht. Haar huid is haast lichtgevend, met een wasem van roze bij de voeten, navel en wangen. Haar buik is rimpelloos, haar schouders rond. Geen knokkel, geen bot steekt uit. Geen haartje, geen sproet, wrat of puist ontsiert haar vel. Hoog prijkt ze op haar benen, met heupen die smal zijn en borsten klein als bij een meisje van veertien. Daarboven een glimlach die zoet en verleidelijk is en tegelijkertijd ernstig en afwachtend.

Deze vrouw is iedereen, of liever gezegd: iedereen is deze vrouw. Ze kan de liefdesgodin Venus zijn, en in die hoedanigheid kan er aan haar voeten een kleine Cupido snotteren die bij het snoepen van de honing door bijen is gestoken. Ze kan een weelderig uitgedoste adellijke dame voorstellen aan het hof van een Saksische keurvorst, haar haren gevlochten met gouddraad, haar jurk een ingewikkelde puzzel van groen fluweel, wit satijn en goudkleurige zijde. Ze is Caritas die bloedjes van kinderen de borst geeft. Ze is Salome, Judith, Delila, Eva, een pin-up, prinses Maria van Saksen. Het kan allemaal: al deze vrouwen zijn eender. Want al deze vrouwen vormen samen een ideaal, een beeld gecomponeerd uit stukjes van tientallen verschillende vrouwen en zo lang, zodanig gesmeed, gekneed, bekeken, en uiteindelijk geschilderd tot er deze ene, ultieme vrouw ontstond.

Steeds weer keert ze terug in het werk van Lucas Cranach de Oudere, de Duitse renaissancekunstenaar die leefde van 1472 tot 1553 en aan wie het Museum voor Schone Kunsten in Brussel nu een schitterende overzichtstentoonstelling heeft gewijd. Schitterend, omdat je tegenwoordig nog maar zo zelden de kans krijgt om zoveel – meer dan honderd – panelen, tekeningen en prenten van Cranach uit tal van Europese en Amerikaanse collecties in het echt te zien. Daaraan toegevoegd zijn vijftig werken van beroemde tijdgenoten met wie Cranach wedijverde, die zich aan hem spiegelden of omgekeerd: aan wie Cranach zichzelf optrok. Onder die tijdgenoten bevinden zich beroemde meesters ten noorden van de Alpen, onder wie Albrecht Dürer, Quinten Metsys, Lucas van Leyden, Joost van Cleve en Albrecht Altdorfer. Maar Cranach keek ook naar het zuiden, naar Italië en kunstenaars als Jacopo de’Barbari of Francesco Francia.

De tentoonstelling is schitterend ook, omdat je als het ware met een vergrootglas in de hand Cranachs artistieke ontwikkeling naast die van zijn collega’s kunt volgen. Zo is op het eerste paneel dat van de kunstenaar bekend is, De Calvarieberg, geschilderd rond 1500 in Wenen, te zien hoe hij nog worstelt met perspectief en anatomie. De benen van de misdadigers die aan het kruis hangen, zijn korter dan lijf en hoofd bij elkaar, en paarden hebben een hals die twee keer zo dik is als hun achterhand. Toch springt dit paneel meteen in het oog: dat komt door de onverbloemde emoties die Cranach uitbeeldt. Anders dan bij zijn rivaal Dürer – die één jaar ouder was en wiens figuren nog sterk een klassieke, gotische sfeer ademen – lijkt het alsof je bij Cranach de gekruisigden hoort steunen. Hun gezicht is vertrokken, hun lichaam staat als een boog gespannen: weg van het kruis, weg van die verschrikkelijke pijn. In een gravure met hetzelfde thema, ook aan het begin van de zestiende eeuw gemaakt, gaat Cranach nog verder en kwakt de lichamen van de misdadigers ruggelings over het hout van het kruis. Je ziet en hoort de botten breken.

Die uitzinnige emotie verdwijnt naar de achtergrond in Cranachs latere werk, als hij als hofkunstenaar in dienst is van Frederik de Wijze van Wittenberg, een van de machtigste vorsten van het Saksische rijk. Nu de inmiddels succesvolle kunstenaar mensen anatomisch perfect kan afbeelden, veroorlooft hij zich af en toe geintjes. In 1510 schildert hij nog een Adam en Eva die stoethaspelend naast elkaar staan en niets lijken te delen behalve het feit dat ze geen hemd aan hun lijf hebben; in 1528 is Adam een slanke jongeling die verbaasd op zijn krullenbol krabt, wanneer een gracieuze Eva hem ondeugend glimlachend de appel toesteekt. In plaats van de jakkerende gevoelens uit het begin ontstaat er een stille, haast zinderende contemplatie, die maakt dat je naar Cranachs portretten en mensfiguren wordt gezogen.

Een van zijn meest raadselachtige schilderijen, De Melancholie uit 1532, is een surrealistische compositie, waarin de Melancholie, verpersoonlijkt door een jonge, gevleugelde vrouw, stil in een hoek een houtje snijdt, terwijl ze wordt omringd door attributen die met mierenvlijt geschilderd in een haast driedimensionale ruimte zweven. In vergelijking daarmee is de beroemde, gelijknamige gravure van Dürer uit 1514, waarop de Melancholie als een boze toverkol tussen een overdaad aan spullen zit, een kakofonie waar je oog geen moment rust vindt. Dat Cranach deze gravure van Dürer tot vertrekpunt nam maar onderweg rigoureus van het pad van de meester afweek en bij zo’n ander vergezicht eindigde, maakt Cranachs paneel des te interessanter.

In Brussel is niet alleen dergelijk onderzoek op de vierkante centimeter gedaan. Integendeel: juist door de combinatie van Cranachs werk met dat van collega’s ontstaat er een breed beeld van de tijd waarin Cranach leeft, de troebelen en uitdagingen waarmee hij te maken krijgt en die heel Europa aantasten. Luther bijvoorbeeld, en de Reformatie, laten hun sporen na op Cranach. Voor de kunstenaar is het een penibel balanceren tussen katholieke opdrachtgevers en de aanhangers van Luther.

Ook dat heeft zijn weerslag op de tentoongestelde werken – en vooral in het motief van de vrouwen die hij schildert. Cranach beeldde zijn favoriete meisje honderden keren af. Van Venus alleen zijn veertig afbeeldingen bekend. Cranachs muze is daarom te zien als een ontwikkelingsmodel: langzaam volg je hoe ze in de loop van de zestiende eeuw minder uit klei geboetseerd wordt. Ze wordt fragiel, elegant, efemeer in plaats van hompig – de reden dat Picasso eeuwen later Cranach zo bewonderde. Als Cranachs muze kleren draagt, zijn dat kostbare kleren, bestikt met parels. Als ze zich naakt toont, dan heeft ze een doorzichtig niemendalletje in haar hand – een voile die meer onthult dan verhult. Haar gezicht is fijn getekend, haar ogen omlijnd door een penseel met misschien maar één haartje.

Maar het belangrijkst in deze evolutie is dat Cranachs ideale vrouw zichzelf loszingt uit een religieuze context. Onder invloed van de Reformatie ontstaat er een ban op het afbeelden van religieuze voorstellingen en daarom verdwijnen ze naar de achtergrond, al die Eva’s en Maria’s. In plaats daarvan verschijnen er wereldse portretten, heldinnen uit de mythologie en af en toe ook de Bijbel. Op hen richt Cranach zijn kunnen. Omdat hij niet anders wil, geen afstand kan doen van de vrouw zoals hij zich haar graag voorstelt. Of ze nu de maagd Maria is of een overspelige vrouw: het gaat om het beeld, waarin de kunstenaar steeds extremer, steeds preciezer wordt. De ideale schoonheid van Cranach is vanaf de jaren twintig van de zestiende eeuw niet langer subliem – ondanks haar rimpelloze vel, ondanks haar vlekkeloze huid. Dat is ze met opzet niet.

Cranach veroorlooft zich in zijn verbeelding van de ideale vrouw geen grapjes, zoals hij in 1528 deed met Adam. Maar kijk naar de vrouw die je van tientallen zijden aanstaart: of ze nu een nimf is die bij een bron rust, een onbekende hofdame, of Helena die wordt verkozen door Paris – steeds staart dat rare, typische Cranach-gezicht je aan.

Is ze mooi? Nee, niet echt.

Is ze lelijk? Nee, ook niet helemaal.

Haar gezicht is bloot en onwerkelijk: een persoonlijke fantasie van schoonheid die je nooit en te nimmer op de Duitse straatstenen tegen zult komen. Cranachs fantasie is hartvormig, met een sierlijk gewelfde mond en – opmerkelijk detail – ogen die extreem schuin staan en behoorlijk uitpuilen. Het zijn ogen van vrouwen met het syndroom van Down. Hun uitstraling is kil, als de peilende blik van een kat. Als je Cranachs meisjes op straat zou tegenkomen, zou je aan ze voorbij lopen. Maar op een schilderij, een foto, op een afbeelding doen deze vrouwen hun werk met verve. Cranach laat met zijn ideaal gecomponeerde vrouw zien dat echte schoonheid alleen maar bestaat bij de gratie van dat ene vlekje dat de kunstenaar erin legt.

De wereld van Lucas Cranach. T/m 23 jan in het Paleis voor Schone Kunsten, Koningsstraat 10, Brussel. Inl: bozar.be

    • Lucette ter Borg